Naar de homepage
Een jonge speler in neutrale trainingskleding zakt op een donkere trainingsmat diep door zijn knieën, gewicht op de voorvoeten en beide armen gespannen, klaar om explosief opzij af te zetten.
Trainerspraktijk

Sprongkracht trainen in het voetbal: explosiever worden met plyometrie

Sprongkracht trainen in het voetbal: plyometrie-oefeningen voor O11 tot O19, een plan van zes weken en de contrastmethode uitgelegd. Zo wordt je team explosiever.

Bijgewerkt op 11 min lezen

In het kort

  • Sprongen gaan aan ongeveer 16 procent van alle doelpuntsituaties vooraf: sprongkracht beslist kopduel, aanzet en duel.
  • Plyometrie werkt vanaf 11 à 12 jaar, mits de techniek zuiver is: kwaliteit boven kwantiteit.
  • Plan ongeveer 80 sprongen per training over 3 tot 4 oefeningen, twee keer per week met 48 uur rust ertussen.
  • Zonder maximaalkracht als fundament doet de contrastmethode niets; die loont pas vanaf O15.
  • Een plan van zes weken met een plyometrische warming-up levert meetbaar meer sprongkracht, zonder extra trainingstijd.

De meeste jeugdteams trainen snelheid door rondjes te lopen, en kracht helemaal niet. Terwijl in de wedstrijd zelden de lange afstanden de doorslag geven. Het zijn de eerste twee passen naar de bal, de afzet in het kopduel en de aanzet vanuit stilstand. Dat alles is sprongkracht: het vermogen om in een minimum aan tijd veel kracht op de grond te zetten. Deze gids laat je zien hoe je die systematisch opbouwt, welke oefeningen bij welke leeftijd passen, wat de contrastmethode oplevert en hoe een plan van zes weken eruitziet dat zonder extra tijd in de normale training past.

Waarom sprongkracht wedstrijden beslist

Kijk eens hoe doelpunten echt vallen. Sprongen gaan aan ongeveer 16 procent van de doelpuntsituaties direct vooraf, lineaire sprints zelfs aan 45 procent en richtingsveranderingen aan nog eens 6 procent. Alle drie die bewegingen hebben iets gemeen: ze vragen explosieve kracht uit de benen, geen uithoudingsvermogen. De spits die een pas eerder bij de bal is, de centrale verdediger die de voorzet wegkopt, de buitenspeler die in het één tegen één wegdraait: ze gebruiken allemaal sprongkracht, ook al springt er maar één zichtbaar. Het zichtbaarst springt sowieso de keeper, wiens explosiviteit je ook zonder eigen keeperstrainer kunt scholen. Dezelfde explosiviteit bepaalt wie na balverlies als eerste bij de bal is: ze is de fysieke basis voor direct druk zetten en voor snel omschakelen.

Een voetbalwedstrijd bestaat uit veel korte, maximale acties met pauzes ertussen. Een speler sprint gemiddeld maar zo'n elf keer per wedstrijd, meestal over 10 tot 20 meter. Die aanzetten wint niet wie het langst kan lopen, maar wie het snelst op snelheid komt. Precies daar grijpt krachttraining voor de benen op aan: meer kracht per bodemcontact betekent een kortere eerste pas met meer druk, een hogere sprong en een schonere afremming voor de richtingsverandering.

Het mooie is: sprongkracht is trainbaar, sneller dan veel mensen denken, en er is nauwelijks materiaal voor nodig. Een vrije ruimte, wat pionnen en lage hordes zijn om te beginnen genoeg. Wil je looptechniek en aanzet er tegelijk bij scholen, dan combineer je dit ideaal met de oefeningen uit onze loopscholing voor voetballers. Het een bouwt de techniek van de pas, het ander de kracht erachter.

Wat "explosief" echt betekent

"Explosief" klinkt als een modewoord, maar heeft een heldere betekenis. Maximaalkracht is hoeveel een spier überhaupt in beweging kan brengen, hoe lang het ook duurt. Snelkracht of explosieve kracht is hoeveel je daarvan in een piepklein tijdvenster oproept. Bij een sprong en bij een aanzet heb je maar fracties van een seconde bodemcontact. Wie in die tijd meer kracht op de grond zet, springt hoger en versnelt sneller. Vakmensen noemen dat de krachtontwikkelingssnelheid: niet hoe sterk je bent, maar hoe snel sterk.

De motor daarachter is de rek-verkortingscyclus. Voordat je springt, zak je even door je knieën. Daarbij wordt de spier gerekt en slaat hij energie op als een gespannen elastiek. Zet je meteen vanuit die beweging af, dan geeft de spier die energie bovenop de eigen samentrekking af. Precies dat is het verschil tussen een sprong vanuit diepe stand en een sprong met vaart: de vaart benut de opgeslagen energie.

Plyometrie is niets anders dan de training die deze cyclus gericht schoolt: korte, krachtige sprongen met zo min mogelijk bodemcontact. Het lichaam leert bij de landing meteen weer af te duwen in plaats van de beweging af te remmen. Dat is de brug tussen rauwe kracht en tempo op het veld.

Plyometrie: de basis voor elke leeftijd (O11 tot O19)

Plyometrische training is al vanaf ongeveer 11 à 12 jaar zinvol in te zetten, zodra kinderen een sprong- en landingsbeweging bewust kunnen sturen. De belangrijkste regel luidt: kwaliteit boven kwantiteit. Zes zuivere sprongen leveren meer op dan twintig slordige, en ze sparen de gewrichten. Een zinnige training bestaat uit ongeveer 80 sprongen, verdeeld over drie tot vier oefeningen met een tot twee series, twee keer per week met minstens 48 uur rust ertussen.

Begin altijd bij de landing, niet bij de afzet. Wie zacht, stil en stabiel landt, met licht gebogen knieën over de voorvoet en de knieën boven de tenen, heeft de halve oefening al onder de knie. Een luide, stijve landing is het duidelijkste alarmsignaal. Laat spelers eerst vanaf lage hoogte naar beneden springen en netjes blijven staan, voordat je überhaupt aan sprongehoogte denkt.

Daarna doseer je naar leeftijd en niveau. Het overzicht laat zien wat er per fase bij komt:

Sprongkracht per leeftijdscategorie

Wat er in welke fase bij komt

Instap
O11 tot O12
Oefeningen
Strek- en hurksprongen, zijwaartse sprongen
Landing
op twee benen
Belasting
geen gewicht, geen diepsprongen
Opbouw
O13 tot O14
Oefeningen
daarnaast hordensprongen en box jumps
Landing
op twee benen
Belasting
geen gewicht, lage hoogtes
Prestatie
O15 tot O19
Oefeningen
daarnaast eenbenige hops en diepsprongen
Landing
op één been toegestaan
Belasting
licht gewicht, contrastmethode

Eigen weergave. Indeling naar leeftijd en trainingsniveau.

Afzetten en landen op twee benen is in de jongere categorieën verplicht. Licht extra gewicht komt er bij O15 tot O19 pas bij als de landingstechniek zit en het krachttraining staat.

De oefeningencatalogus: acht sprongen voor op het veld

Kies per training drie tot vier oefeningen en kom zo op ongeveer 80 sprongen. Voer eerst het aantal herhalingen op, daarna pas hoogte of afstand. Alle waarden gelden per speler.

OefeningUitvoeringDoseringVanaf
Streksprongen (pogo's)Op twee benen, benen gestrekt, heel korte bodemcontacten2 tot 3 × 8O11
HurksprongenDiep door de knieën, explosief omhoog, zacht landen2 tot 3 × 6O11
Zijwaartse sprongen over een lijnOp twee benen snel heen en weer, beide kanten2 tot 3 × 10 per kantO11
Verspringen uit standOp twee benen ver naar voren, netjes blijven staan2 tot 3 × 5O11
Lage hordensprongenOver 4 tot 6 minihordes, korte contacten3 × 5 doorgangenO13
Box jumpsOp een lage kist, explosief omhoog, zacht landen2 tot 3 × 6O13
Eenbenige hopsAfzetten met één been, landen op twee2 × 5 per beenO15
Diepsprongen (drop jumps)Van een lage kast af, meteen weer omhoog2 tot 3 × 5O15

Een effectieve truc: springen in meerdere richtingen. In de wedstrijd spring en draai je zelden rechtdoor. Bouw daarom zijwaartse en diagonale sprongen in, en oefen beide draairichtingen even vaak. Precies die veelzijdigheid onderscheidt voetbalgerichte plyometrie van stomweg op en neer huppelen.

Wat het onderzoek over sprongtraining laat zien

Het bewijs voor sprongtraining in het voetbal wijst prettig eenduidig één kant op: het werkt. Overzichtsstudies over talloze onderzoeken met speelsters en spelers van elke leeftijd laten verbeteringen zien in sprongehoogte, sprinttijd, richtingsveranderingen, maximaalkracht en zelfs schotsnelheid. Een systematische review specifiek over jonge mannelijke voetballers tot 23 jaar vond over alle ingesloten studies heen betere waarden bij sprint, sprong en wendbaarheid.

Interessant is wat níét werkt: eenzijdige training. Wie alleen sprongen of alleen richtingsveranderingen oefent, brengt dat vaak slecht over op de echte wendbaarheid in de wedstrijd. Een gemengd, neuromusculair veeleisend programma van sprongen, richtingsveranderingen en stabiliteitsoefeningen wint het van het kaal drillen van losse bouwstenen. Praktisch betekent dat: combineer, in plaats van één enkele oefenvorm dood te herhalen.

Bij het geduld past een eerlijke blik. Een studie met jeugdige speelsters leverde al met één training per week meer sprongehoogte en schotafstand op. Maar pas na 14 weken, niet na 7. Met twee trainingen per week gaat het sneller; vaak zijn de eerste effecten er na ongeveer zes weken.

Zonder kracht geen explosiviteit

Plyometrie maakt je niet sterker, ze maakt je snel sterk. Dat is een verschil. Ontbreekt de basiskracht, dan is er weinig dat je snel zou kunnen oproepen. Daarom hoort bij elke serieuze opbouw van sprongkracht een minimum aan krachttraining voor benen en romp. Hoe steviger de basis, hoe meer elke plyometrische oefening er bovenop legt.

Bij kinderen en jeugd betekent krachttraining geen zware halters. In de prepuberale fase verbetert de kracht vooral via het zenuwstelsel, niet via spiergroei: het lichaam leert meer spiervezels tegelijk aan te sturen. Daarvoor volstaan oefeningen met het eigen lichaamsgewicht, partneroefeningen en stabiliserende vormen voor romp en benen ruimschoots. Een echt stabiele stand op één been is daarbij de basis voor elke zuivere landing, en precies die bouw je op met gericht evenwichtstraining over acht weken. Wie het eenbenige evenwicht extra schoolt, zet met neuroathletiek de volgende stap: die traint ogen, evenwicht en lichaamsbesef als sensorische tegenhanger van sprongkracht. Een hoge basiskracht hangt bovendien direct samen met minder blessures, dus belastinggericht krachttraining is dubbel nuttig.

Vanaf de puberteit, ongeveer vanaf O15, mag het krachttraining concreter worden, met zuivere techniek en langzaam oplopende belasting. Twee korte trainingen per week volstaan. Belangrijk is de juiste volgorde over het seizoen: eerst de krachtbasis leggen, daar de explosiviteit bovenop zetten. Wanneer dat krachtwerk überhaupt aanslaat, hangt trouwens niet van de geboortedatum af maar van de groeispurt: daarvóór blijft de opbrengst bijna nul, zoals de gids over snelheidstraining in het jeugdvoetbal laat zien.

Contrastmethode (PAP): loont de moeite?

De contrastmethode, ook wel complextraining genoemd, is de meest gevorderde trap. Het principe: je koppelt een zware krachtoefening aan een explosieve beweging in hetzelfde bewegingspatroon, bijvoorbeeld een zware squat direct gevolgd door een maximale sprong. De zware oefening activeert het zenuwstelsel zo sterk dat de sprong erna kortstondig krachtiger uitvalt. Vakmensen noemen dat effect postactivatie-potentiëring, kortweg PAP. Simpel gezegd voelt de sprong daarna vederlicht, alsof je een emmer omhoog rukt die je boordevol dacht maar die halfleeg is.

Zo ziet dat er in de praktijk uit, voor rijpe spelers met ervaring in krachttraining vanaf O15 of in het seniorenvoetbal:

  • Belasting: 75 tot 90 procent van de maximaalkracht bij de zware oefening.
  • Herhalingen: slechts 1 tot 5 per serie, lage totale omvang met 2 tot 4 series.
  • Koppeling: biomechanisch verwant, bijvoorbeeld squat plus streksprong of deadlift plus verspringen uit stand.
  • Rust tussen zware oefening en sprong: 3 tot 12 minuten, hoe sterker de speler, hoe langer.
  • Blokduur: 4 tot 6 weken laten duidelijke effecten zien, sommigen profiteren tot 8 à 12 weken.

Precies die rusttijden zijn het addertje. Wie tussen zware belasting en sprong meerdere minuten moet wachten, krijgt in een gewone teamtraining nauwelijks genoeg zuivere doorgangen weg. Daar komt bij: het effect verschilt sterk per persoon en werkt vooral bij al krachtige spelers, nauwelijks bij ongetrainde. Voor een doorsnee amateur- of jeugdteam is de moeite daarom zelden gerechtvaardigd.

Jouw plan van zes weken voor meer sprongkracht

Je hebt geen aparte training nodig voor sprongkracht. De eenvoudigste weg is de sprongen in de warming-up inbouwen, twee keer per week zo'n 10 tot 15 minuten. Hoe een goede warming-up er helemaal zonder materiaal uitziet, laat onze warming-up voor O11 zien. Dat vervangt het gebruikelijke rondjes lopen en kost je geen extra trainingstijd. Belangrijk is alleen de volgorde over de weken: eerst de techniek vastzetten, dan de hoeveelheid opvoeren, tot slot het tempo aanscherpen.

Plan van zes weken voor meer sprongkracht

Eerst de landing, dan de omvang, dan het tempo. Twee keer per week in de warming-up.

W1Week 1 en 2: techniekLandingstechniek oefenen: zacht, stil en stabiel landenStreksprongen en hurksprongen op twee benenOngeveer 60 zuivere sprongen per training, kwaliteit boven hoeveelheidW3Week 3 en 4: omvangLage hordensprongen en zijwaartse sprongenBeide draairichtingen even vaak oefenenOpvoeren naar ongeveer 80 sprongen per trainingW5Week 5 en 6: tempoKorte bodemcontacten en tempo benadrukkenVerspringen uit stand, eenbenige varianten vanaf O15Een krachtoefening als fundament erbij nemenStartTag X

Eigen weergave. Het label toont de startweek van elke fase. Omvang en intensiteit per leeftijd doseren.

Houd je daarbij aan de leeftijdsgrenzen. O11 tot O14 blijven in alle fases bij het eigen lichaamsgewicht en landen op twee benen. O15 tot O19 mogen vanaf fase 3 eenbenige sprongen toevoegen en vanaf fase 5 licht extra gewicht of eerste diepsprongen. Meet je vooruitgang gewoon: noteer aan het begin en aan het eind de afstand bij verspringen uit stand of de verticale sprongehoogte van elke speler. Dezelfde waarden kom je ook tegen bij een selectietraining, waar ze overigens meer zeggen over de lichamelijke rijpheid dan over talent. Na zes weken zie je zwart op wit of het plan aanslaat.

Wie looptechniek en sprongkracht bij elkaar brengt, heeft de complete aanzetmachine: de loopscholing voor voetballers levert de techniek van de pas, dit plan de kracht erachter. En als het team na de voorbereiding explosiever is, ontbreekt alleen nog de praktijktest tegen echte tegenstanders. Een oefentoernooi laat zien of de nieuwe aanzet ook onder wedstrijddruk zit.

Mijn oefentoernooi plannenGratis en zonder registratie

Sprongkrachtprogramma als pdf om te downloaden

Het complete sprongkrachtprogramma als printbare pdf: de basisregels, de oefeningencatalogus met dosering en leeftijdsvrijgave, het plan van zes weken en een tabel om de vooruitgang van elke speler vooraf en achteraf te meten.

Jump power & explosiveness for footballersPlyometric program for U11 to U18PDF downloaden

Veelgestelde vragen

Vanaf welke leeftijd is sprongkrachttraining in het voetbal zinvol?
Plyometrische training met het eigen lichaamsgewicht past vanaf ongeveer 11 à 12 jaar, zodra kinderen sprong en landing bewust kunnen sturen. Voorop staat zuivere techniek, niet de hoeveelheid. Extra gewicht en de contrastmethode horen pas vanaf O15 in de training, omdat ze een krachtfundament en lichamelijke rijpheid veronderstellen. Vóór O11 zijn huppel- en tikspelen genoeg.
Hoe vaak per week moeten voetballers hun sprongkracht trainen?
Twee keer per week is genoeg, met minstens 48 tot 72 uur rust ertussen. Een zinnige training bevat ongeveer 80 sprongen, verdeeld over drie tot vier oefeningen met een tot twee series. Meer volume levert niets extra op, maar verhoogt wel het blessurerisico. Het eenvoudigst bouw je de sprongen in de warming-up in, dan kost de training geen extra tijd.
Wat is de contrastmethode, en loont die in het amateurvoetbal?
Bij de contrastmethode volgt direct op een zware oefening zoals de squat een explosieve sprong, om het zogenoemde PAP-effect te benutten. Ze werkt alleen bij spelers met ervaring in krachttraining en vraagt 3 tot 12 minuten rust tussen de koppels. Voor de meeste amateur- en jeugdteams is dat te veel gedoe; gewone plyometrie levert daar meer op per geïnvesteerde minuut.
Zijn diepsprongen gevaarlijk voor jeugdspelers?
Diepsprongen leveren landingskrachten op van een veelvoud van het lichaamsgewicht en horen niet thuis in de jonge jeugd. Tot ongeveer O15 blijf je bij lage kasten, een afzet op twee benen en vooral een zachte, gecontroleerde landing. Pas als de landingstechniek zit en er genoeg basiskracht is, voer je hoogte en intensiteit op. Een zuivere landing wint het van elke sprongehoogte.
Hoe snel verbetert de sprongkracht meetbaar?
Bij twee trainingen per week zie je de eerste meetbare vooruitgang na ongeveer zes weken. Een studie met slechts één training per week vond de duidelijke sprong pas na 14 weken. Oftewel: regelmaat en geduld betalen zich uit, snelle wonderen bestaan niet. Meet de vooruitgang gewoon via de afstand bij verspringen uit stand of via de verticale sprongehoogte.