Naar de homepage
Jonge keepster in een groen shirt in lage basishouding op de doellijn, handen open voor haar lichaam, een bal ligt voor haar op het gras.
Trainerspraktijk

Keeperstraining zonder keeperstrainer: je jeugdkeeper ontwikkelen in de teamtraining

Keeperstraining zonder keeperstrainer: welke techniek wanneer telt, hoe je je keeper inbouwt in de teamtraining, plus een training voor O10 tot O13 als pdf.

Gepubliceerd op 9 min lezen

In het kort

  • Meer dan de helft van de acties van een topkeeper in een wedstrijd is opbouwen met de voet, geen redding. Modern keepen is meespelen.
  • Zacht vallen vanuit kniestand hoort vanaf O10 in de training, krachtig duiken met afzet pas vanaf O12.
  • De teamtraining levert de meeste keepersprikkels vanzelf: afronden geeft reddingen, kleine partijvormen geven 1 tegen 1 en reflexen.
  • Een kort keepersblok voor het passende teamonderdeel vervangt geen specialist, maar dekt wel het belangrijkste af.
  • Tot O12 blijft de keeper ook veldspeler; het definitief vastleggen van de positie komt later.

Je neemt een jeugdteam over, hebt geen keeperstrainer in de vereniging, en dinsdag staat er een kind in het doel dat daar min of meer zijn eigen gang gaat. Voor de veldspelers heb je oefeningen, voor de keeper niet. In het amateur- en breedtevoetbal is dat precies het normale beeld, en het is op te lossen zonder dat je ooit zelf onder de lat hebt gestaan.

Dit artikel geeft je drie dingen: een overzicht van welke keeperstechniek op welke leeftijd eigenlijk aan de beurt is, concrete manieren om de keeper in je gewone teamtraining in te bouwen, en een kant-en-klare training van 50 minuten voor O10 tot O13 die je als pdf kunt meenemen. Alles steunt op jeugdopleidingsplannen uit Engeland, Canada, de Verenigde Staten en van de FIFA, niet op onderbuikgevoel.

Waarom de keeper in de amateurtraining vaak buiten beeld valt

De reden dat de keeper achterblijft, is zelden onwil. Het is tijd. Je maakt een trainingsplan voor twaalf veldspelers, en die ene in het doel loopt ernaast mee. Komt hij aan de beurt, dan als schietschijf bij het afronden. Vangen, vallen, voorzetten, uitvoetballen: allemaal niets.

Hoe groot dat probleem is, zie je zodra je kijkt wat een keeper in een wedstrijd echt doet. Bij topkeepers op grote toernooien is ongeveer 62 procent van alle keepersacties offensief, dus meespelen, en maar 38 procent defensief. Verreweg het vaakst voorkomende losse onderdeel is positie kiezen in de opbouw, gevolgd door het voorkomen van tegendoelpunten. De keeper houdt het spel dus vaker aan de gang dan dat hij een bal keert.

Bij kinderen ligt die verhouding anders, maar de richting klopt: een keeper die nooit met de bal aan de voet wordt uitgedaagd, leert precies de vaardigheid niet die hem later het sterkst boven het gemiddelde uittilt. En het goede nieuws voor jou als trainer zonder specialist: voetenwerk, reacties en 1 tegen 1 ontstaan bijna vanzelf zodra de keeper goed in de teamtraining is ingebed.

Keeperstraining per leeftijd: van de jongste pupillen tot O19

Eerst iets over eerlijkheid: de opleidingsplannen waarop dit overzicht rust, gebruiken hun eigen leeftijdsbanden (de FIFA bijvoorbeeld "voetbalschool 6 tot 10", Canadese en Amerikaanse plannen beginnen pas bij U11). Het omzetten naar de KNVB-categorieën O6 tot O19 is mijn eigen vertaalslag, niet de indeling van de bron. Als ruwe kaart werkt hij nog steeds.

Eén ding hoort daar meteen bij, want het bepaalt waar dit verhaal begint. In de Nederlandse wedstrijdvormen staat er bij O6 en O7 helemaal geen keeper in het veld: die categorieën spelen 2 tegen 2 en 4 tegen 4 in toernooivorm. Pas vanaf O8 wordt er 6 tegen 6 met keeper gespeeld, op bijna een kwart veld (42,5 bij 30 meter), begeleid door een spelbegeleider. Vanaf O11 en O12 is het 8 tegen 8 op bijna een half veld (42,5 bij 64 meter) met een pupillenscheidsrechter, en vanaf O13 elf tegen elf. Een vaste keepersrol wordt dus op zijn vroegst bij O8 een onderwerp, en echt zinvol pas rond de overstap naar het grote veld.

De rode draad over alle stappen: eerst zeker vangen, dan zacht vallen, dan krachtig duiken. Hoge ballen en actieve opbouw beginnen pas als de kinderen naar het grote veld gaan. En de positie wordt lang uitgeprobeerd, niet vastgelegd.

Fase (≈)VangenVallen en duikenHoge ballen en voorzettenVoet en opbouw
O6 tot O9bal vangen en tegen het lichaam veiligstellen, spelenderwijshooguit rollen en buitelen, vanuit spelvormennog nietmet de bal aan de voet spelen, de positie proberen
O10 en O11binnen handbereik alles vangen in plaats van kerenzacht vallen: zijwaarts wegkantelen, lage bal, 1 tegen 1alleen aangegooide ballen zonder tegenstander, voor de afzettiminguitgooien en doeltrap met beide voeten
O12 en O13ook ballen boven hoofdhoogtekrachtig duiken met afzet; stompen introducerengetrapte voorzetten, ook met tegenstanderdrukterugspeelbal zeker aannemen, eerste opbouw
O14 en O15verfijnen, reageren op onconventionele ballenvoorzetten in het duel en met contactactief, verder van het doelde hoek verkleinen, actieve opbouw
vanaf O16zeker onder tempo en drukalles geautomatiseerd, tegen tegenstanderdrukhet strafschopgebied beheersende verdediging dirigeren, de wedstrijd managen

Twee punten ruimen in de praktijk de meeste misverstanden op. Ten eerste: er is geen leeftijd waarop duiken "verboden" is. Zacht vallen vanuit kniestand hoort al bij O10 thuis, krachtig duiken met afzet pas bij O12, als de kracht en het lichaamsgevoel er zijn. Ten tweede: krachttraining met extra gewicht is tot dan geen onderwerp, in de opleidingsplannen begint dat pas vanaf O14. Tot die tijd zijn lichaamsgewicht, sprongkracht- en explosiviteitsoefeningen en coördinatie genoeg.

Zo bouw je de keeper in de teamtraining in

De belangrijkste regel is meteen de eenvoudigste: plan de keeper in. Vergeet hem niet als je de training opschrijft. Zijn rol ontwikkelt zich toch al het best in samenhang met het team, niet in losse extra oefeningen.

Kijk je preciezer, dan levert je reguliere training de keepersprikkels bijna automatisch:

  • Afrondingstraining levert reddingen op. Van je afwerkoefeningen met de kinderen maak je voor de keeper een vang- en reddingstraining, zodra je hem niet als levend doelwit behandelt maar hem coachingspunten meegeeft (basishouding, vangen in plaats van stompen, bal veiligstellen).
  • Kleine partijvormen (4 tegen 4, 5 tegen 5) leveren reflexen en 1 tegen 1 van dichtbij.
  • Balbezit- en opbouwvormen leveren het voetenwerk dat in de wedstrijd het verschil maakt. Laat de keeper als aanspeelpunt meedoen.

Daar komt een kort, gericht blok bij. De vuistregel: neem waar het team die dag aan werkt, en bereid de keeper daar tien minuten eerder op voor. Traint het team voorzetten, dan oefent de keeper vooraf het uitkomen en het vangen van hoge ballen. Komt daarna 1 tegen 1 met de spitsen, dan werk je in het voorblok niet aan hoge ballen maar aan het verkleinen van de hoek.

Helemaal vervangen doet dat blok de losse keeperstraining niet, en dat mag je weten: pure teamoefeningen leveren minder van de korte, keeperstypische sprintjes en afrembewegingen dan een positiespecifiek blok. De eerlijke boodschap is dus niet "specialistentraining is overbodig", maar: het inbedden in het team is de kern, een kort keepersblok is de zinvolle aanvulling.

Die mix werkt om een simpele reden. Keeperstrainers besteden vaak 50 tot 70 procent van hun tijd aan voorspelbare, geïsoleerde techniektraining, terwijl ze zelf het nemen van beslissingen de belangrijkste vaardigheid van een topkeeper noemen. Juist die beslissingen laten zich niet op een stilliggende bal drillen. Ze ontstaan daar waar de keeper moet waarnemen, kiezen en handelen: in spelvormen en echte wedstrijdsituaties. De teamtraining levert ze gratis mee.

Een kant-en-klare keeperstraining voor O10 tot O13

Deze training werkt met een bal per tweetal, een paar pionnen en een doel. Twee tot vier veldspelers helpen als aangever en schutter, de rest van het team kun je parallel aan een station laten werken. De laatste twee blokken draaien toch al met het hele team.

1. Warme handen: W-greep met stuit (5 min). De keeper stuitert de bal voor zich op de grond en vangt hem in de opgaande beweging in de W-greep: duimen bijna tegen elkaar, niet overlappend, handen ongeveer een balbreedte uit elkaar, ellebogen licht gebogen als schokdemper. Coaching: laat de bal aan je handen plakken en breng hem meteen naar je borst.

W-greep met stuit

De bal voor je laten stuiteren en in de opgaande beweging in de W-greep vangen, duimen bijna tegen elkaar, niet overlappend.

TWKeeper

2. Lage bal oppakken in tweetallen (8 min). Twee kinderen rollen elkaar de bal toe vanaf vijf tot acht meter. De vanger brengt zijn voeten achter de bal, zakt door met open handpalmen en naar beneden wijzende vingers, en sluit zijn benen als tweede zekering. Coaching: lichaam achter de bal, niet ernaast grijpen.

Lage bal oppakken in tweetallen

Toerollen vanaf vijf tot acht meter. Lichaam achter de bal, benen sluiten als tweede zekering.

ATW5 tot 8 mKeeper

3. Zacht vallen vanuit kniestand (8 min). De tweetallen knielen rechtop vijf tot acht meter uit elkaar. A rolt de bal zijwaarts naast B, B valt opzij, strekt zijn handen naar de bal en landt in de volgorde knie, heup, schouder. Daarna zo snel mogelijk weer op de voeten. Coaching: nooit met de elleboog opvangen, bal voor het hoofd houden. Zwaarder maken: vanuit stand.

Zacht vallen vanuit kniestand

De bal zijwaarts naast de knielende keeper rollen, hij kantelt opzij op de bal en komt snel weer op zijn voeten.

ATW5 tot 8 mKeeper

4. Turn and Receive (7 min). Drie pionnen op een rij, zes meter tussenruimte, twee aangevers aan de buitenkant, de keeper in het midden. Aangever A gooit, de keeper vangt, speelt terug en draait meteen naar aangever B. Acht tot twaalf herhalingen, dan wisselen. Schoolt vangen onder tijdsdruk en snel opnieuw richten.

Turn and Receive

Vangen van aangever A, teruggeven, meteen naar de tweede aangever B draaien.

ABTW6 m afstandKeeper

5. 1 tegen 1 door de poortjes (10 min). De keeper verdedigt zijn doel en twee pionnenpoortjes er direct naast. Een aanvaller start vanuit het midden, dribbelt aan en probeert door een van de poortjes te komen. De keeper komt uit, verkleint de hoek, blijft lang op zijn voeten en pakt de bal af met twee vaste handen, niet met de voet. Coaching: het aanlooptempo doseren, niet te vroeg gaan liggen. Hier doen veldspelers als aanvaller mee.

1 tegen 1 door de poortjes

Twee pionnenpoortjes staan naast het hoofddoel. De aanvaller naar buiten dringen, uitkomen en de hoek verkleinen.

TWADoelKeeperAanvaller

6. Afsluitende partij met keepersbonus (12 min). 5 tegen 5 tot 8 tegen 8 met de keeper er middenin. Geef extra punten voor een schot op doel vanaf de eigen helft, zodat de keepers worden uitgedaagd, en laat hem de opbouw met de voet openen. Precies hier traint hij wat in de wedstrijd het vaakst voorkomt: meespelen en beslissen.

Afsluitende partij met keepersbonus

De keeper speelt mee en opent met de voet. Extra punt voor een schot op doel vanaf de eigen helft.

TWA1A2A3B1B2B3DoelKeeper

Deze zes blokken krijg je als printbare trainingskaart, die je op de trainingsdag in je tas stopt.

Trainingskaart om te downloaden

De training van 50 minuten als printbare pdf: het schema met zes blokken en tijden, de belangrijkste coachingspunten en de meestgemaakte fouten in één oogopslag.

Goalkeeper Session U10 to U1350-minute plan without a GK coachPDF downloaden

De meestgemaakte fouten zonder keeperstrainer

  • Alleen op doel laten schieten. Dat is de meestgemaakte fout. Voorzetten, voetenwerk en beslissingen ontbreken dan volledig. Juist voorzetten horen bij de lastigste ballen die er zijn, omdat de keeper in een fractie van een seconde moet kiezen tussen uitkomen, blijven staan, vangen of stompen.
  • Te vroeg vastleggen. Wie een kind op zijn tiende voltijds keeper maakt, neemt hem voetenwerk en spelinzicht af. Tot O12 hoort de keeper ook in het veld.
  • Handen niet warm maken. Koude, onvoorbereide handen vangen slechter en raken sneller geblesseerd. Twee minuten oefeningen met de vanggreep vóór het eerste harde schot horen in elke training.
  • Kracht vóór techniek. Krachtig duiken en zware sprongen vóór O12 leveren weinig op en werken frustrerend. Eerst de zuivere beweging, dan tempo, dan afstand.

Je volgende training

Je hebt geen keeperstrainer nodig om je keeper vooruit te helpen. Je hebt drie dingen nodig: de juiste techniek op het juiste moment, de keeper bewust ingepland in je teamtraining, en een kort keepersblok dat bij het teamthema past. Pak voor de volgende training het schema van 50 minuten, maak de handen warm, en laat de keeper in de afsluitende partij met de voet openen.

De sterkste prikkel leveren uiteindelijk echte wedstrijden, waarin de jeugdkeeper keer op keer moet beslissen. Wie regelmatig wedstrijden en kleine toernooien organiseert, geeft zijn team precies die herhalingen. Mijn toernooi plannenGratis en zonder registratie

Veelgestelde vragen

Vanaf welke leeftijd mag een kind in het doel duiken?
Er is geen verboden leeftijd. Zacht vallen vanuit kniestand, zijwaarts naast de rollende bal, hoort al bij O10 spelenderwijs in de training. Het krachtige duiken met afzet en strekking komt pas vanaf O12, als kinderen daar de kracht en het lichaamsgevoel voor hebben. Begin altijd langzaam en zonder tempo: eerst de beweging, dan de afstand.
Kan ik een jeugdkeeper zonder keeperstrainer eigenlijk wel goed opleiden?
Tot en met O15 grotendeels wel. Het grootste deel van de prikkels ontstaat in de teamtraining: afronden levert reddingen, kleine partijvormen leveren 1 tegen 1 en reflexen, balbezitvormen het voetenwerk. Teamoefeningen dekken alleen niet alle keepersspecifieke belastingen af. Een kort specialistenblok per training dicht dat gat.
Moet een kind zich vroeg vastleggen op de keepersplek?
Nee. Internationale jeugdopleidingsplannen adviseren om de keeper tot ongeveer O12 ook in het veld te laten meespelen en de positie uit te proberen in plaats van vast te leggen. Pas daarna wordt het doel de hoofdpositie. Wie zich op zijn tiende vastlegt, verliest voetenwerk, spelinzicht en vaak het plezier in het spel.
Wat is de meestgemaakte fout bij keeperstraining op amateurniveau?
De keeper alleen maar ballen op doel laten verwerken. Voorzetten, voetenwerk en beslissingen onder druk ontbreken dan volledig. Juist voorzetten horen bij de lastigste ballen die er zijn, omdat de keeper in een fractie van een seconde moet kiezen tussen uitkomen, vangen of stompen. Zonder oefening blijft die keuze in de wedstrijd een gok.
Hoe vaak moet er keepersspecifiek getraind worden?
Belangrijker dan een zeldzame, lange specialistentraining is een kort keepersblok in elke training, afgestemd op het teamthema van die dag. Traint het team voorzetten, dan bereid je de keeper daar tien minuten eerder op voor. Zo verzamelt hij over de week meer passende herhalingen dan in een losse extra training.