Naar de homepage
Close-up van een funino-partij 3 tegen 3: een kind in een geel hesje voert de bal, een verdediger in een rood hesje sluit aan, een derde medespeler sprint de vrije ruimte in.
Regels & wedstrijdvormen

Funino in het jeugdvoetbal: trainersgids voor O6 tot O11

Funino-spelvormen, acht oefeningen en coachingaanwijzingen voor O6 tot O11, plus een ouderbrief en printbare oefenkaarten. Zo vul je je dinsdagtraining.

Bijgewerkt op 25 min lezen

In het kort

  • Funino is drie tegen drie op vier doeltjes, zonder keeper en zonder ranglijst; in Nederland is het een trainingsvorm, geen KNVB-wedstrijdvorm.
  • Spanje gebruikt funino sinds 1993 als officieel leerboek; Engeland stapt in 2026/27 met FutureFit over op 3 tegen 3 voor O7.
  • Vier doelen dwingen elk kind te kiezen welk doel open staat. Dat traint waarneming sterker dan welke geïsoleerde dribbeloefening ook.
  • Bij 4 tegen 4 halen partijvormen 90 tot 95 procent van de maximale hartslag. Conditietraining zonder bal wordt daarmee overbodig voor O10 en O11.
  • De meest gestelde oudervraag is waarom er geen ranglijst is. Met het waarnemingsargument leg je dat in tien minuten uit.

Je staat op dinsdagavond langs het trainingsveld, de jongste groep staat al ongeduldig te trappelen, en je weet dat de klassieke partij op twee grote doelen voor deze leeftijd allang is achterhaald. In plaats daarvan: drie tegen drie op vier doeltjes. Funino. Je hebt het op een trainerscursus één keer kort gezien, je hebt ouders die vragen waarom er geen ranglijst is, en je hebt een vereniging die eigenlijk het liefst door zou spelen zoals vroeger.

Deze gids is de praktijkkant bij het overzichtsartikel over de wedstrijdvormen. Hij laat zien wat je op de trainingsdag concreet doet, welke acht varianten je in je repertoire hoort te hebben en hoe je de vorm aanpast aan O6/O7, O8/O9 en O10/O11. Daarbij: hoe je het aan ouders uitlegt in tien minuten zonder woordenwisseling, met coachingaanwijzingen, een printbare pdf met oefenkaarten onderaan en een voorbeeldmail voor de volgende ouderavond.

Wat funino is

Funino is een spelvorm voor zes kinderen: twee teams met elk drie veldspelers, geen keeper, vier doeltjes. Op elke achterlijn staan twee doelen van 2 meter breed en 1 meter hoog, met minstens 12 meter tussen de twee doelen op dezelfde lijn. Het speelveld is klein: 20 bij 27 meter in het origineel, en voor de allerjongsten nog wat kleiner. Op een regulier groot veld passen acht funinovelden naast elkaar.

In Nederland is funino geen competitievorm maar een trainingsvorm. De KNVB schrijft voor de competitie eigen wedstrijdvormen voor: 2 tegen 2 bij O6, 4 tegen 4 bij O7, 6 tegen 6 van O8 tot en met O10 en 8 tegen 8 bij O11 en O12. Op het trainingsveld is funino intussen wel overal te vinden, en het onderliggende idee — kleine groepen, veel balcontacten, veel beslismomenten — is precies wat achter die wedstrijdvormen zit. De methodische grondslag legde Wein in Spielintelligenz im Fußball.

De naam FUNiño heeft Wein zelf bedacht: uit het Engelse fun en het Spaanse niño (kind). Wein woonde ten tijde van die woordvondst in Barcelona, waar het Spaanse leerboek ontstond. Zijn werken Developing Youth Football Players en Game Intelligence zijn sinds 1993 het officiële leerboek van de Real Federación Española de Fútbol; FC Barcelona en Athletic Bilbao hebben de methodiek in hun jeugdopleiding verankerd. In Duitsland kwam de vorm pas via Mainz 05 (prof. dr. Matthias Lochmann, Universiteit Erlangen) en Schalke 04 in de clubpraktijk. Lochmann leverde onder de noemer Wettkampfsystem 4.0 een groot deel van de wetenschappelijke basis voor de latere Duitse hervorming.

Het funinoveld volgens Wein

27 bij 20 meter, twee doeltjes per achterlijn (2 bij 1 m), minstens 12 m tussen de twee doelen, een schietzone van 6 meter. Deze variant is in Duitsland als verplichte competitievorm vastgelegd voor de jongste categorieën.

Het funinoveld volgens WeinHet funinoveld volgens Wein: Funino-Spielfeld 27 mal 20 Meter mit zwei Mini-Toren auf jeder Grundlinie und 6-Meter-Schusszone: 27 bij 20 meter, twee doeltjes per achterlijn (2 bij 1 m), minstens 12 m tussen de twee doelen, een schietzone van 6 meter. Deze variant is in Duitsland als verplichte competitievorm vastgelegd voor de jongste categorieën.27 m20 m6 m12 mSchietzoneDoeltje 2 × 1 mMiddellijn

Wein (2011), Spielintelligenz im Fußball, blz. 7095–7100; Duitse voetbalbond, Wettbewerbsformen im Kinderfußball, versie 09/2024.

Het FA FutureFit-veld 3 tegen 3 ter vergelijking

20 bij 15 meter (bovengrens van de FA, minimaal 15 bij 10 m), één doel per achterlijn van 120 bij 75 cm, geen schietzone. De schutter moet op de helft van de tegenstander staan, anders telt het doelpunt niet. Engelse variant, verplicht vanaf seizoen 2026/27 voor O7.

Het FA FutureFit-veld 3 tegen 3 ter vergelijkingHet FA FutureFit-veld 3 tegen 3 ter vergelijking: FA FutureFit 3v3-Spielfeld 15 mal 20 Meter mit einem Tor pro Grundlinie und Halfway-Line-Schussregel: 20 bij 15 meter (bovengrens van de FA, minimaal 15 bij 10 m), één doel per achterlijn van 120 bij 75 cm, geen schietzone. De schutter moet op de helft van de tegenstander staan, anders telt het doelpunt niet. Engelse variant, verplicht vanaf seizoen 2026/27 voor O7.20 m15 mHet doelpunt telt alleen als de schutter op de helft van de tegenstander staat120 × 75 cmMiddellijn

The FA, FutureFit 3v3, Early Adopter Guidance, september 2025.

Zo verschillen de bonden

Hetzelfde grondprincipe, verschillende reglementen. Voor wie de begrippen in de berichtgeving door elkaar heeft zien lopen: hier staat wat er verschilt en wat identiek is.

DetailNederland (KNVB)Duitsland (DFB, vanaf 24/25)FA FutureFit (Engeland, vanaf 26/27)RFEF / Wein-origineel (Spanje, sinds 1993)
Rol van funinotrainingsvorm, geen competitievormverplichte competitievorm bij de jongstenverplicht bij O7 (3 tegen 3 als eigen vorm)O9 als kernvorm, tot O11 ingezet
Competitievorm2 tegen 2 (O6), 4 tegen 4 (O7), 6 tegen 6 (O8–O10)2 tegen 2 of 3 tegen 3 op 4 doeltjes3 tegen 3Fútbol 3 of 5
Veldgroottekwart veld 42,5 × 30 m vanaf O820 × 27 m tot 25 × 30 m10 × 15 m aanbevolen, max. 15 × 20 m20 × 27 m (Wein-origineel)
Doelen per achterlijnéén doel2 doeltjes (2 × 1 m, 12 m ertussen)1 doel (120 × 75 cm)2 doeltjes (Wein-ontwerp)
Schietregelgeenschietzone van 6 m vanaf de achterlijnde schutter moet op de helft van de tegenstander staanschietzone van 6 m
Keepervanaf 6 tegen 6nee (2v2/3v3); optioneel vanaf 4v4neenee
Wedstrijdleidingspelbegeleider (O8–O10)trainers als gezamenlijke spelleidersgeen; pitch facilitators begeleidengeen
Ouders en publiekgeen voorgeschreven afstandminimumafstand tot het veld (vaak 15 m als clubregel)een respect line op 3 m (8 m bij aangrenzende velden)geen specifieke bepaling
Ranglijstenpas vanaf O11niet bijgehoudenniet bijgehoudenniet bijgehouden
Speelduurper competitiereglement5×5 tot 7×7 min bij de jongsten6 tot 10 min per wedstrijd, 30 tot 40 min per kind4×3 min standaard

Drie gevolgen voor de Nederlandse trainerspraktijk. Ten eerste: op de speeldag gelden de KNVB-wedstrijdvormen; funino met vier doeltjes gebruik je op de training, niet in de competitie. Ten tweede: de afstand van 15 meter voor ouders is een clubconventie, geen KNVB-regel; de FA heeft daarentegen de respect line op 3 meter expliciet vastgelegd. Ten derde: de rituelen rond de speeldag (steen-papier-schaar, high five, pitch facilitator) zijn vondsten van de FA en horen niet bij de Nederlandse praktijk.

Funino buiten Nederland

Een ding dat in de discussie over kleine wedstrijdvormen vaak ondersneeuwt: de landen om ons heen zitten allemaal in dezelfde beweging. Hier is de stand in zes bonden:

LandVorm bij O7Vorm bij O9Vorm bij O11Band met funino
🇳🇱 Nederland (KNVB)4 tegen 4 in toernooivorm6 tegen 68 tegen 8funino als trainingsvorm, niet als competitievorm
🇩🇪 Duitsland (DFB, vanaf 24/25)2 tegen 2 of 3 tegen 3 op 4 doeltjes3v3 of 4v4 of 5v54v4 of 5v5 of 7v7"3 tegen 3 op 4 doeltjes" als verplichte vorm
🇪🇸 Spanje (RFEF, sinds 1993)Fútbol 3 of 5Fútbol 7 (7 tegen 7)Fútbol 7 (7 tegen 7)Wein-funino als officieel leerboek, overgenomen door Barcelona
🏴󠁧󠁢󠁥󠁮󠁧󠁿 Engeland (FA FutureFit, vanaf 26/27)3 tegen 3 zonder keeper en scheidsrechter5 tegen 57 tegen 7direct de funinologica, door de FA gemerkt als "FutureFit"
🇫🇷 Frankrijk (FFF)Foot à 5 (5 tegen 5)Foot à 5 (5 tegen 5)Foot à 8 (8 tegen 8)indirect, geen 3 tegen 3-trede, wel plateaufestivals
🇺🇸 Verenigde Staten (US Soccer)4 tegen 4 zonder keeper7 tegen 7 met build-outlijn9 tegen 9verwant, geen 3 tegen 3-trede

Drie gevolgen voor de trainerspraktijk. Ten eerste: kleine wedstrijdvormen zijn geen lokaal experiment maar internationale standaard. Ten tweede: het exacte format met vier doelen is een Duitse en Spaanse eigenaardigheid; Engeland gaat met FutureFit naar 3 tegen 3 met maar twee doelen, de Verenigde Staten spelen 4 tegen 4, en Nederland kiest 6 tegen 6 en 8 tegen 8. Ten derde: de toernooilogica (meerdere korte wedstrijden op dezelfde dag, zonder ranglijst, met rouleren) is de internationaal gevestigde vorm voor dit soort formats. Meer over de Nederlandse indeling staat in de gids over de wedstrijdvormen in het jeugdvoetbal.

Waarom vier doelen het spelinzicht trainen

Wein formuleerde het zo: "Doordat elk team via twee gescheiden doelen tot succes kan komen, worden het waarnemingsvermogen, het begrijpen van een spelsituatie, het tactisch denken en handelen en ook de fantasie en creativiteit van de kinderen getraind." De vergelijking met het klassieke format is sportwetenschappelijk goed onderbouwd. Memmert beschreef zes basistactieken die alle balsporten delen: het doel aansturen, de bal naar het doel brengen, samenspelen, gaten benutten, de tegenstander omzeilen en overtal uitspelen. In 11 tegen 11 is per actie maar een deel daarvan actief; in 3 tegen 3 op vier doelen zijn ze voortdurend alle zes tegelijk in het spel.

Concreet betekent dat dat een achtjarige in een funinowedstrijd binnen twee minuten doorgaans zes tot acht keer dezelfde leesbeslissing krijgt: welk van de twee doelen aan de overkant wordt op dit moment minder goed verdedigd? Speel ik af of ga ik zelf door? Waar beweegt mijn medespeelster naartoe? In een klassieke partij op één centraal doel krijgt diezelfde speler die beslissing misschien twee of drie keer per blok. Het aantal herhalingen is het eigenlijke werkingsmechanisme.

Balcontacten per kind per wedstrijd

Schattingen uit het FRANdata-rapport 2024 voor vormen die op 4 tegen 4 lijken, tegenover het klassieke 11 tegen 11. Concrete cijfers verschillen per studie.

22klassiek 11 tegen 112704 tegen 4, funinoachtig

FRANdata 2024, Small-Sided Soccer Report.

Actieve speeltijd per kind

Het deel van de speeltijd waarin een kind dicht bij de bal is en beslissingen moet nemen. Schattingen uit observatiestudies.

≈ 25 %7 tegen 7≈ 60 %Funino 3 tegen 3%

Schattingen uit de vergelijkingstabellen van Wein (2011) en Memmert (2011).

Funino als conditietraining

Deze vraag komt in het trainersoverleg uiterlijk na de derde funinotraining: "moeten ze niet ook eens echt lopen, zonder bal?" Het sportwetenschappelijke antwoord is helder. Kleine partijvormen halen dezelfde intensiteit als klassieke aerobe intervaltraining: 90 tot 95 procent van de maximale hartslag, met belastingsblokken van drie tot vijf minuten. Precies die duur komt overeen met een rouleerritme van drie minuten spelen en dan wisselen.

Het gevolg voor de weekplanning: in het jeugdvoetbal is een aparte duurtraining zonder bal voor O10 en O11 niet nodig. Funino met een rotatie van drie minuten is zélf het conditietraining. Kolodziej (FC Vaduz) vatte het op het Internationale Trainerscongres van 2018 zo samen: "Veldgrootte, aantal spelers en speelduur zijn de knoppen waarmee je verschillende belastingsintensiteiten bereikt." Wie meer loopwerk wil, gaat naar de bovengrens van de maten (25 bij 30 meter); wie meer startjes en richtingsveranderingen wil, blijft klein.

Er hoort een belangrijke beperking bij: voor pure sprintscholing is de vorm minder geschikt. In 4 tegen 4 op 39 bij 39 meter ligt de afstand op hoge snelheid op maar 2,7 meter per minuut, tegenover 8,4 meter per minuut in een officiële wedstrijd 11 tegen 11. Wie bij O10 en O11 echte sprintprikkels wil, combineert funino met korte sprintestafettes aan het begin van de training. Voor de jongste categorieën speelt dat sowieso niet.

En over het blessurerisico: funino beperkt per definitie de lange sprintfases die in het klassieke spel de meeste hamstringblessures veroorzaken. De kleine velden verhogen weliswaar het aantal versnellingen en richtingsveranderingen, maar bij zes- tot elfjarige spelers met een geringe lichaamsmassa en lage snelheden is dat praktisch onproblematisch. Vanaf een jaar of tien loont een korte dynamische warming-up voor de eerste funinopartij; zes minuten volstaat.

Veld en materiaal in 2 minuten

Je hebt per funinoveld nodig:

  • Vier doeltjes van elk 2 meter breed en 1 meter hoog (de maat van het Wein-origineel). Iets afwijkende maten kunnen ook (tot 1,65 meter hoog).
  • Acht pionnen om de schietzone van 6 meter voor elk doel te markeren. Bij 2 tegen 2 vervalt de schietzone; daar geldt: doelpunten tellen vanaf de middellijn. Bij 3 tegen 3 en groter is de schietzone verplicht.
  • Eén wedstrijdbal per team, plus een reservebal langs de kant. Welke balmaat bij welke leeftijd hoort, staat in de tabel hieronder.
  • Hesjes in twee duidelijk te onderscheiden kleuren. Bij zes- en zevenjarigen werken contrastrijke combinaties (bijvoorbeeld roze/zwart of geel/blauw) beter dan het klassieke rood/blauw.

Overzicht van balmaten in het jeugdvoetbal:

LeeftijdscategorieGangbaar in NLFA (FutureFit 26/27)GewichtOpmerking
O6/O7maat 3maat 3ca. 290 goveral hetzelfde
O8/O9maat 3maat 3ca. 290 gstandaard voor 3 tegen 3 en 5 tegen 5
O10maat 4maat 3350 g resp. 290 gde FA houdt maat 3 langer aan
O11maat 4maat 3350 g resp. 290 gde FA houdt O11 een jaar langer op 7 tegen 7 en maat 3
O12/O13maat 4maat 4ca. 350–390 goveral hetzelfde
O14 en oudermaat 5maat 5ca. 410–450 gde officiële volwassenmaat; de FA stapte in 2025 over van 4 op 5
O15/O16 en oudermaat 5maat 5ca. 410–450 gongewijzigd

Voor funino in de zaal is een lichte bal maat 3 met weinig stuit ideaal. De FA schrijft voor 3 tegen 3 in Engeland expliciet "size 3 (psi 5)" voor. Het grootste verschil zit bij O10 en O11: de FA houdt daar maat 3 aan omdat de vorm 7 tegen 7 een jaar langer wordt gespeeld.

Wie geen doeltjes heeft, bouwt ze uit pionnen of stokken. Wein schreef daarover: "Verandert de plaats van een doel tijdens het spel, dan geeft de scheidsrechter ook dan een doelpunt als de bal naar zijn oordeel de lijn is gepasseerd op de plek waar het doel oorspronkelijk stond." Dat haalt de stress uit materiaalgebrek.

Een pragmatische knop voor de trainerspraktijk: via de veldgrootte stuur je de belasting. Een veld van 20 bij 27 meter (Wein-standaard) geeft een middelmatige intensiteit met een goede leesopgave. 25 bij 30 meter geeft meer loopwerk en is goed voor de tweede seizoenshelft, als de kinderen fitter zijn. 18 bij 22 meter geeft heel kleine ruimtes, veel startjes en veel balcontacten per minuut. Pionnen verzetten is een minuut werk.

Voor het thuisprogramma: reken op minstens 4 weken voorbereiding vóór de eerste thuisspeeldag met een nieuwe vorm. Doeltjes bestellen, de markering van de schietzones regelen, de spelbegeleiders instrueren en een ouderavond plannen waarop je de opzet uitlegt. Meer over de logistiek van zo'n dag staat in de gids over een voetbaltoernooi organiseren.

Het funinotrappenmodel van O6 tot O11

Funino is geen enkele vorm maar een trapsgewijs model. Het schema dat internationaal wordt gebruikt:

LeeftijdscategorieVorm(en)SchietzoneSpeeltijd per blokRoulerenKeeper
O6/O7 (2 tegen 2)2 in het veld + 1 wisselnee, vanaf de middellijn5×5 tot 7×7 minna elk doelpuntnee
O6/O7 (3 tegen 3)3 in het veld + 2 wisselschietzone van 6 m7×7 tot 6×7 minna elk doelpuntnee
O8/O9 (3 tegen 3)3 in het veld + 2 wisselschietzone van 6 m5×10 minna elk doelpuntnee
O8/O9 (4 tegen 4)4 in het veld + 3 wisselschietzone van 6 m6×10 tot 6×12 minelke 3 min op een fluitsignaaloptioneel
O8/O9 (5 tegen 5)5 in het veld + 4 wisselschietzone van 6 m6×10 tot 6×12 minelke 3 min op een fluitsignaaloptioneel
O10/O11 (5 tegen 5)5 in het veld + 4 wisselschietzone van 6 m6×10 tot 6×12 minelke 3 min op een fluitsignaalja (klein doel)
O10/O11 (7 tegen 7)7 in het veld + wisselsklassieke veldlijnen4×15 of 2×25 minelke 7 min via een nevenveldja (klein doel)

Drie regelkenmerken gelden doorlopend. Ten eerste is er vanaf O8 een compensatiemechanisme mogelijk: bij drie doelpunten verschil mag het achterstaande team een extra speler het veld in brengen, tot de stand weer gelijk is. Ten tweede wordt er in toernooivorm gespeeld met op- en afgaande velden: na elke ronde schuift het winnende team een veld op en het verliezende een veld terug. Ten derde, en dat is de belangrijkste coachingaanwijzing van het hele concept: de beslissingen tijdens het spel horen zoveel mogelijk door de kinderen zelf te worden genomen. Trainers en begeleiders treden op als gezamenlijke spelleiders en grijpen alleen in als het nodig is.

O6 en O7: 2 tegen 2 en 3 tegen 3

De belangrijkste pedagogische stap bij de jongsten is het losmaken van het "trosvoetbal". Een zesjarige ziet de bal, de hele zwerm rent naar de bal, iemand schiet, iedereen loopt erachteraan. Precies die reflex haalt de vorm 2 tegen 2 uit elkaar. Met maar twee spelers per team en vier doeltjes ontstaat er onvermijdelijk een taakverdeling: één gaat naar de bal, één blijft vrij. Wie beide spelers naar de bal stuurt, verliest meteen een doelpunt. De leercurve in de eerste drie trainingen is adembenemend, omdat de opgave zo helder is.

Voor de variant 2 tegen 2 geldt: een speeltijd van 5×5 tot 7×7 minuten, drie minuten pauze tussen de blokken, geen keeper, en doelpunten tellen pas vanaf de middellijn. Een team bestaat uit twee veldspelers plus één wissel; na elk doelpunt wisselen beide teams één speler volgens een vaste volgorde. Die wissellogica garandeert dat elk kind in elk blok evenveel minuten krijgt. Het meest gehoorde ouderverwijt ("mijn kind krijgt te weinig speeltijd") wordt daarmee structureel uitgesloten.

Vanaf de tweede seizoenshelft, of bij een sterke O7, loont de overstap naar 3 tegen 3. Die is veeleisender, omdat er met drie spelers echte communicatie in driehoeken mogelijk wordt. Wein onderbouwt dat in Spielintelligenz im Fußball zo: "De driehoeksformatie maakt zowel in de aanval als in de verdediging goede communicatie en samenwerking mogelijk." De schietzone (6 meter van het doel) wordt ingevoerd en de speeltijd gaat naar 7 minuten per blok.

Funino 3 tegen 3: de grondvorm voor de jongsten

Drie tegen drie op vier doeltjes. Pass op de vrije medespeler, schot op het open doel.

A1A2A3V1V2V3Het doelpunt telt alleen vanuit de schietzone van 6 mAanvallerVerdediger

Wein (2011), Spielintelligenz im Fußball, hfst. III.

De belangrijkste coachingaanwijzingen voor deze leeftijd:

  • Stel vragen, geef geen opdrachten. Rent een kind alleen op het doel af: "waar is je medespeelster?" in plaats van "je moet afspelen!". Het grondbeginsel van Wein: "In plaats van de spelers vissen te geven, moet je laten zien hoe je ze vangt."
  • Ouders op afstand. Vijftien meter is een prima clubafspraak. Ouders langs de zijlijn overstemmen het gedrag van de kinderen.
  • Neem de wisselrituelen serieus. Wie erin en wie eruit gaat, staat vooraf vast; tijdens het spel geen discussie. Anders ben je elke drie minuten 60 seconden kwijt.

Een valkuil: achtjarigen verliezen in de grondvorm 3 tegen 3 snel de lol als de verdediging te lang moet jagen om de bal te veroveren. Let erop of elke speler in elk blok van 7 minuten minstens één keer zelf op doel schiet. Zo niet: het veld verkleinen of een opdracht invoeren ("voor het schot moeten alle drie de bal hebben geraakt"). Meer daarover in het hoofdstuk met varianten verderop.

O8 en O9: 3 tegen 3, 4 tegen 4, 5 tegen 5

Deze leeftijd is de belangrijkste leercorridor in het hele jeugdvoetbal. Wein wijdde aan de acht- en negenjarigen een heel boekdeel: "Minivoetbal op vier doelen met al zijn varianten is voor de acht- en negenjarigen een op maat gesneden wedstrijd, die aan al hun wensen en verwachtingen voldoet." In de praktijk werken drie vormen (3 tegen 3, 4 tegen 4, 5 tegen 5) met speeltijden van 5×10 tot 6×12 minuten per blok.

In de trainingspraktijk werkt een heldere seizoensopbouw:

  • Week 1 tot 8 (nazomer en herfst): 3 tegen 3 als hoofdvorm. De schietzone consequent handhaven, wisselen na elk doelpunt. Coaching beperkt tot twee of drie vragen per blok. Doel: elk kind kent zijn medespelers en kan onder druk een pass geven.
  • Week 9 tot 18 (winter en voorjaar): 4 tegen 4 als hoofdvorm, 3 tegen 3 als terugval bij kleine trainingen. Eventueel met een keeper in een van beide kleine doelen. De vierde veldspeler brengt een nieuw leerniveau: nu gaat het om onderlinge afstanden en diepte, niet meer alleen om breedte.
  • Week 19 tot het einde van het seizoen (voorjaar): 5 tegen 5 als voorbereiding op de volgende trede. De variant met vier doeltjes werkt hier net zo goed als de variant met klassieke kleine doelen plus keeper.

Voor de hoofdfase in 3 tegen 3 zijn twee varianten bijzonder nuttig. Ten eerste de jokervariant: een neutrale speler staat op de middellijn en speelt altijd mee met het team dat de bal heeft. Daarmee heeft de balbezittende partij altijd een overtal van vier tegen drie. Dat traint vrijlopen en het benutten van gaten, zonder dat een team gefrustreerd raakt omdat het structureel de mindere is.

Funino 3 tegen 3 met joker

Een neutrale joker op de middellijn speelt altijd mee met de balbezittende partij. Vier tegen drie onder echte druk.

A1A2A3V1V2V3JDe joker speelt mee met de balbezittende partij

Eigen synthese, naar het variantenraster van Wein (2011).

Ten tweede de verplichte-passvariant: vóór elk schot op doel moeten alle drie de medespelers de bal hebben geraakt. Die variant dwingt teamspel af en lost het klassieke conflict op waarin alleen de snelste speler alle doelpunten maakt, wat op deze leeftijd regelmatig opduikt. Ouders zijn dol op deze variant, omdat hun minder doortastende kinderen ook bij het doel komen.

Funino 3 tegen 3 met verplichte pass

Voor elk schot op doel moeten alle drie de medespelers de bal hebben geraakt. Dwingt teamspel af.

123VVV123Het doelpunt telt alleen als alle drie eerst aan de bal waren

Eigen synthese, naar Wein (2011), varianten op minivoetbal.

Een valkuil op deze leeftijd: de overgang van 3 tegen 3 naar 4 tegen 4 is methodisch de zwaarste sprong. Met de vierde speler ontstaat voor het eerst echte teamtactiek, en dat is voor veel achtjarigen te veel. De aanbeveling uit de trainersopleiding: speelt het team 4 tegen 4, beperk het coachen dan tot hooguit twee heldere gedragsaanwijzingen per training. "Als jij de bal niet hebt, doe je een paar passen terug" is genoeg. Meer aanwijzingen werken averechts.

O10 en O11: 5 tegen 5 en 7 tegen 7 met de ruit

Dit is de overgangstrede. Tot hier was de vorm volledig gericht op spelinzicht en balcontacten; vanaf hier komen er voor het eerst tactische opgaven bij: onderlinge afstanden, diepte, opbouwen vanaf de eigen helft. Wein heeft dat in Spielintelligenz im Fußball opgenomen met de 7 tegen 7-ruit voor elf- tot twaalfjarigen: "Er wordt eerst zonder en dan met buitenspel 7 tegen 7 gespeeld: een keeper, een vrije verdediger, drie middenvelders en twee spitsen. Elke vijf minuten wisselen alle spelers van rol en plaats."

In de trainingspraktijk werkt een tweedeling goed: op woensdag 5 tegen 5 als hoofdvorm (meerdere varianten met doeltjes), op vrijdag 7 tegen 7 met de ruit als wedstrijdvoorbereiding.

Funino 5 tegen 5: de overgangsvorm

Vijf tegen vijf op vier doeltjes. Brug naar de volgende trede, met de ruit al in aanleg.

A1A2A3A4A5V1V2V3V4V5Vier doeltjes, eventueel kleine doelen met keeper

Naar de internationale implementatiedocumenten voor kleine wedstrijdvormen.

In de variant 5 tegen 5 met doeltjes is de centrale leeropgave het aansluiten van de tweede lijn. Met vijf spelers ontstaat er onvermijdelijk een verdeling in voor, midden en achter. Wie dat niet traint, heeft vijf spelers in één lijn rond de bal: het oude patroon van de jongste categorieën. Coachingaanwijzing: "heeft je medespeler voorin de bal, dan sluit jij een stap aan; heeft je medespeler achterin de bal, dan ga jij naar voren." Die ene regel verandert het spel meer dan welke tactische uitleg ook.

De variant 7 tegen 7 met de ruit is de eerste systematische stap richting het klassieke teamspel. Wein bedacht de opstelling 1-1-3-2 (keeper, vrije verdediger, drie middenvelders, twee spitsen) als brug, omdat er genoeg spelers zijn om alle taken te verdelen maar weinig genoeg dat elk kind in elke partij direct bij meerdere acties betrokken is. Het rouleren om de vijf minuten (elk kind wisselt van positie) is verplicht, anders belanden de snelste spelers permanent voorin en de verlegenste permanent in het doel.

Funino 7 tegen 7: de Wein-ruit

Opstelling 1-1-3-2: keeper, vrije verdediger, drie middenvelders in een ruit, twee spitsen.

TWVMFMF6STSTVVMFMFSTSTTWDe Wein-ruit: 1-1-3-2 met een vrije verdediger en twee spitsen

Wein (2011), Spielintelligenz im Fußball, hoofdstuk over de voorvormen van 7 tegen 7.

Een praktische vraag voor de trainer: wanneer loont het om het blok 7 tegen 7 door te zetten als er maar 12 kinderen op de training zijn? Het eerlijke antwoord: bij twaalf kinderen blijf je bij 5 tegen 5 met wissels. 7 tegen 7 werkt vanaf zestien kinderen. Anders zit er te veel speeltijd op de bank. Voor specifieke dribbelopdrachten op deze leeftijd is de gids over dribbeloefeningen voor O9 tot O11 het natuurlijke vervolg.

Funinovarianten voor de hoofdfase

Drie varianten die in elk funinorepertoire horen. Ze zijn onafhankelijk van de leeftijdsvorm inzetbaar; de grondvorm 3 tegen 3 blijft staan, alleen één regel verandert.

De zonevariant. Het veld wordt door een extra lijn in twee helften gedeeld (parallel aan de lange zijde). Elk team moet in elke zone minstens één speler hebben. Deze variant haalt de zwermreflex structureel uit elkaar en traint positiebesef. Werkt vanaf een sterke O9 en is vanaf O10 een vaste variant.

Funino 3 tegen 3 met zones

Het veld in twee horizontale zones verdeeld. Elk team heeft minstens één speler in elke zone.

A1A2A3V1V2V3Zone 1Zone 2

Eigen synthese, naar Memmert (2011), basistactieken in balsporten.

De zaalvariant. Een zaalveld van 15 bij 20 meter, doeltjes vervangen door lijndoelen, en de boarding telt als medespeler (tegen de wand spelen en de bal weer oppakken mag). In de wintermaanden spelen veel jeugdteams een half seizoen lang uitsluitend binnen. Het spelen op de boarding is methodisch waardevol, omdat het een extra passoptie afdwingt: een kind dat wanhopig probeert door te dribbelen, leert heel snel dat de boarding ook een medespeler is.

Funino 3 tegen 3 in de zaal

Krapper veld van 15 bij 20 m, doeltjes vervangen door lijndoelen, boarding als medespeler.

A1A2A3V1V2V3Spelen op de boarding · lijndoelen · krapper veld

Eigen synthese, naar de zaaladaptatie van Wein.

De afrondingsvariant. Eén aanvaller met bal in het midden, vier verdedigers: één voor elk doeltje. Twee verdedigers zijn "passief" (staan verder weg), twee zijn "actief" (staan voor het doel). De aanvaller moet zien welke twee doelen open staan en op een daarvan afronden. Een opgave van 30 seconden die je in de activeringsfase van de training kunt inbouwen. Wein noemt deze variant in Spielintelligenz im Fußball de sleuteloefening voor het trainen van de doelkeuze.

Funino afronden: welk doel staat open?

Aanvaller met bal in het midden. Vier verdedigers, twee doelen staan open en twee zijn dichtgezet. Waarnemen traint de keuze.

AV1V3V2V4××Welk doel staat open?De aanvaller kiest

Wein (2011), Spielintelligenz im Fußball, variatie 11.

Een eerlijke kanttekening: er zijn twee funinovarianten die op internet rondgaan en die we in deze gids bewust weglaten. "Funino met punten per doelpositie" (doelpunten in de moeilijk te raken doelen tellen dubbel) maakt van spelinzicht een rekenopgave en is voor de jongste spelers te veel. "Funino met steeds wisselende regels" (elke twee minuten verandert de trainer een regel) is als demonstratie op een trainerscursus aardig, maar levert in de clubpraktijk extra coachingwerk op zonder aanwijsbare leerwinst. Meer is niet altijd beter.

Veelgemaakte trainersfouten: de top 5

Fout 1: corrigeren in plaats van laten gaan. Als je als trainer elke drie minuten stillegt om een speler te corrigeren, komt er geen trainingsstroom op gang. Wein schrijft daarover: "Een trainer die tijdens deze fases voortdurend corrigeert, verstoort dat leer- en ontwikkelingsproces alleen maar en zet de kinderen bovendien onnodig onder prestatiedruk." Kinderen leren spelvormen door herhaling en eigen ervaring, niet door uitleg. Laat het lopen. Vraag in de pauze wat ze zelf hebben gezien.

Fout 2: coachen op winnen in plaats van op leren. Funino is een toernooivorm zonder ranglijst. Wie in de clubpraktijk toch denkt "vandaag moeten we winnen", bouwt het team zo op dat de twee sterkste spelers de meeste acties krijgen, en benadeelt daarmee de andere vier. De waarschuwing van Wein: "Helaas staat op vrijwel alle sportparken zelfs bij de allerkleinsten nog altijd de overwinning voorop en niet het spel."

Fout 3: een te krap veld. Wein waarschuwde expliciet: "Veel oefenleiders hebben de neiging om voor kleine kinderen kleine, te krappe speelruimtes te kiezen." De minimummaat is 20 bij 20 meter voor 3 tegen 3. Is het veld te klein, dan wordt het een kluwen en verdwijnt het pedagogische effect. Kies een funinoveld liever iets te groot dan te klein.

Fout 4: ouders niet informeren. Ouders die niet zijn ingelicht, staan langs de lijn aanwijzingen te roepen. Hun kinderen luisteren dan niet meer naar hun eigen waarneming maar naar papa of mama. Vijftien meter afstand is een prima clubafspraak. Op een ouderavond volstaat drie minuten uitleg. Meer daarover in het volgende hoofdstuk.

Fout 5: slordig zijn met de wisselrituelen. Wie na een doelpunt wisselt, moet een vaste volgorde hebben. Anders ontstaat er bij elke wissel discussie en krimpen de 7 minuten speeltijd tot 5. Tip: een gelamineerd kaartje met de wisselvolgorde aan het klembord, elke training opnieuw gesorteerd, en tijdens het spel geen discussie.

Wat ouders over funino moeten weten

De vijf meest voorkomende bezwaren van ouders, in volgorde van hoe vaak ze op een gemiddelde ouderavond langskomen:

  1. "Waarom geen ranglijst? Mijn kind wil toch winnen!" De toernooilogica schaft de ranglijst bewust af, omdat het belangrijkste leerdoel op deze leeftijd niet winnen is maar waarnemen en succeservaringen voor iedereen. De KNVB trekt die streep bij O11: daaronder geen uitslagen en ranglijsten. Ouders begrijpen dat argument na één uitleg, zodra ze doorhebben dat elk kind op een funinodag zelf meerdere doelpunten maakt, in plaats van alleen dat ene aanvallende talent.

  2. "Waarom vier doelen? Dat is toch geen echt voetbal." De vier doelen dwingen elk kind om voortdurend de spelsituatie te lezen: welk doel wordt op dit moment minder goed verdedigd? Die waarnemingseis is het hele didactische fundament van de vorm. Bij een klassiek spel op twee doelen volstaat het om in één richting te rennen. In een spel op vier doelen moet je nadenken.

  3. "Waar is de keeper? Mijn kind kan toch niet keepen." Bij de jongste categorieën is er bewust geen keeper. Zesjarigen wisselen sowieso permanent tussen doel en veld, en de keepersrol heeft methodisch pas vanaf een jaar of tien zin. Wie in de vereniging een gespecialiseerde keeper nodig heeft: daar begin je vanaf O10 mee, niet eerder.

  4. "Mijn kind is te zwak voor funino, het gaat kopje-onder." Precies het tegenovergestelde is het geval. Wein documenteerde in Spielintelligenz im Fußball uitdrukkelijk dat zwakkere spelers in funino het meest profiteren: "Iedereen, ook de zwakste speler, is belangrijk." In een grote partijvorm raakt het zwakste kind de bal twee of drie keer per wedstrijd; in 3 tegen 3 is dat een veelvoud. Wie niet kan meekomen omdat hij balcontacten mist, krijgt in funino precies die balcontacten.

  5. "Waarom moeten ze na elk doelpunt wisselen?" Het rouleren na elk doelpunt (bij de jongsten) of elke drie minuten op een fluitsignaal (daarboven) garandeert alle kinderen dezelfde speeltijd. Die regel sluit structureel uit dat een kind wordt benadeeld omdat het op dat moment wat minder speelt. Ouders die vonden dat hun kind te weinig speeltijd kreeg, zijn daarna doorgaans de grootste voorstanders van funino.

Voorbeeldmail voor de ouderavond

Wie een sjabloon nodig heeft: dit werkt in de clubpraktijk. Pas het aan op je vereniging en team en stuur het één keer voor de start van het seizoen per mail of in de ouderappgroep:

Beste ouders,

Vanaf dit seizoen trainen onze jongste teams met de spelvorm "3 tegen 3
op vier doeltjes", in de praktijk bekend als funino. Drie dingen zijn
anders dan vroeger:

1. Geen ranglijst en geen bekendmaking van winnaars op de speeldag. Alle
   teams spelen in toernooivorm, winnen ongeveer even vaak en krijgen aan
   het eind een oorkonde.

2. Elk kind maakt gemiddeld zelf doelpunten. In een grote partijvorm
   maakten meestal dezelfde twee of drie kinderen de meeste doelpunten;
   in funino wisselt dat per speeldag.

3. Rouleren: na elk doelpunt (bij de jongsten) of elke drie minuten
   wisselt elk team een speler. Zo krijgt elk kind in elke wedstrijd
   evenveel speeltijd.

Wat we op de speeldag graag zien: minstens 15 meter afstand tot het veld,
geen coachingkreten vanaf de kant, en geen oordelen over individuele
spelers binnen gehoorsafstand van de kinderen. Heb je vragen, spreek me
dan na de speeldag aan, dan neem ik er de tijd voor.

Bedankt voor jullie steun.

Met sportieve groet,
[Naam]

Nog een laatste opmerking: ouders die sceptisch zijn over funino worden doorgaans fan zodra ze hun eigen kind er één keer in hebben zien spelen. Het effect van de vorm zie je pas als je er niets bij zegt.

Zelf een funinofestival organiseren

Wie in zijn vereniging een funinofestivaldag wil organiseren, heeft drie dingen nodig: een zaal of een groot veld met ruimte voor minstens vijf funinovelden naast elkaar, vier doeltjes per veld (desnoods pionnen), en een helder rotatieschema. De toernooivorm werkt zo: er wordt gespeeld met op- en afgaande velden, waarbij na elke ronde het winnende team een veld opschuift en het verliezende team een veld terug.

Een typische festivaldag voor O8 en O9 heeft zes tot zeven ronden van 7 tot 10 minuten, drie minuten pauze ertussen, en aan het eind een kleine oorkonde voor elk kind (geen eerste plaats, geen laatste plaats). Zes tot acht teams passen probleemloos op vier velden naast elkaar. Trainers treden op als spelleiders, niet als coaches. Ouders staan op vijftien meter afstand. Catering per kind: een banaan, een halve liter water, een mueslireep. Genoeg voor drie uur.

De volledige logistiek, van het materiaalplan via de instructie van de spelbegeleiders tot de voorbeeldmail voor ouders, staat in de gids over een voetbaltoernooi organiseren. Wie een eigen funinofestival wil opzetten zonder in Excel-bestanden te verdwalen, gebruikt het eenvoudigst een hulpmiddel als AreaCopa, dat het rotatieschema en de wedstrijdindeling automatisch maakt.

Funino is ook de natuurlijke hoofdfase na een warming-up zonder materiaal. Meer daarover in de gids over opwarmen in 15 minuten zonder materiaal, die zich voor alle jongste categorieën leent.

Mijn eerste funinofestival in 5 minuten aanmakenGratis en zonder registratie

Oefenkaarten om te downloaden

Twee printbare pdf-bestanden om mee te nemen naar het trainingsveld. De checklist is de snelreferentie van één bladzijde met de opzetpunten en alle acht varianten als compacte lijstjes met aanwijzingen. Handig als je funino al kent en alleen een geheugensteun nodig hebt.

FutureFit Funino Coaching Guide — Drill CardsEight 3v3 / Funino game-form variants for Under-7s to Under-11s with coaching cues for the pitchPDF downloaden

Het werkboek is de versie van twaalf bladzijden met per kaart een velddiagram. Eén kaart per bladzijde, het diagram in het midden, genummerde coachingaanwijzingen eronder. Klem ze aan het klembord, dan heb je de opstelling en de loopwegen bij het uitleggen meteen voor ogen.

FutureFit Funino Coaching Guide — Drill WorkbookEight 3v3 / Funino game-form variants for Under-7s to Under-11s, with diagram and coaching cues per cardWerkboek downloaden

Bronnen

Primaire bronnen Wein (de funinomethodiek)

  • Wein, Horst (2011). Spielintelligenz im Fußball — kindgemäß trainieren. 4e herziene en aangevulde druk. Aken: Meyer & Meyer.
  • Wein, Horst (2006). “Mehr Spielintelligenz!” In: fußballtraining 5+6/2006, blz. 56–62.

Nederlandse wedstrijdvormen

  • KNVB. Wedstrijdvormen in het pupillenvoetbal. Bron voor de vormen 2 tegen 2 (O6), 4 tegen 4 (O7), 6 tegen 6 (O8–O10) en 8 tegen 8 (O11/O12), en voor het startpunt van uitslagen en ranglijsten bij O11.

Duits reglement (hervorming 2024/25)

  • Duitse voetbalbond (versie 09/2024). Wettbewerbsformen im Kinderfußball. Frankfurt am Main. Als vergelijkingsmateriaal: de Duitse bond heeft het vierdoeltjesconcept in zijn competitieregels opgenomen.

Sportwetenschappelijke onderbouwing (spelinzicht, conditie, belasting)

  • Memmert, Daniel (2011). Vermittlung von Spielfähigkeit.
  • Schmoll, Simon (2020). Athletiktraining im Nachwuchsfußball. Masterscriptie, Universiteit Potsdam. (citeert Hoff, Wisloff, Engen, Kemi & Helgerud 2002 over de hartslagdrempel in kleine partijvormen.)
  • Gualtieri, Antonio (2025). High-Speed Running and Sprinting in Football. Proefschrift. (citeert Dalen e.a. 2019 en Casamichana, Bradley & Castellano 2018 over het sturen van de belasting in kleine partijvormen.)

Lochmann / Universiteit Erlangen (Wettkampfsystem 4.0)

  • Akdag, Murat; Poimann, Dino; Czyz, Titus; Lochmann, Matthias (2016a). The Impact of Competition Mode and Coaching on Physical Load in Youth Football. In: 6e Internationale Teaching Games for Understanding-conferentie × 10e dvs-Sportspiel-Symposium 2016, Keulen. Hamburg: Feldhaus Czwalina, dl. 258, blz. 179.
  • Akdag, Murat; Poimann, Dino; Czyz, Titus; Lochmann, Matthias (2016b). The Impact of Competition Mode and Coaching on the Amount of Actions in Youth Football. Zelfde bundel, blz. 178.
  • Lochmann, Matthias (2015). Wettkampfsystem 4.0. Jaarcongres van de dvs-commissie voetbal 2015, Erlangen.

Trainersopleiding

  • Halemeier, Maik (2018). Spielidee für den Spielaufbau und die Fortsetzung des Spiels. In: BDFL (red.), Internationaler Trainer-Kongress 2018 Dokumentation, blz. 30–33.
  • Kolodziej, Christian (2018). Integriertes vs. isoliertes Athletiktraining im Leistungsfußball. Zelfde bundel, blz. 34–36.

Internationale bonden (stand 2025/26)

  • Real Federación Española de Fútbol (2025). Bases de competición 2025/26. Madrid: RFEF.
  • The Football Association (2025). FutureFit — Updates to grassroots youth football in England. Londen: The FA. Uitrol 2026/27.
  • Fédération Française de Football (2025). Foot Animation U7/U9/U11, reglementsdocumenten 2025/26.
  • US Soccer (2017). Player Development Initiatives. Standaarden voor kleine wedstrijdvormen sinds augustus 2017.

Branchecijfers (kleine partijvormen, balcontacten)

  • FRANdata (2024). Small-Sided Soccer: Final Updated Report. Meting van balcontacten 4 tegen 4 tegenover 11 tegen 11.

Veelgestelde vragen

Wat onderscheidt funino van een gewone partijvorm op twee doelen?
Funino speelt drie tegen drie op vier doeltjes in plaats van op twee klassieke doelen. Het speelveld is klein, ongeveer 20 bij 27 meter, en een team heeft maar drie veldspelers nodig. Geen keeper, geen buitenspel, geen ranglijst. In Nederland is het een trainingsvorm; de KNVB schrijft voor de competitie eigen wedstrijdvormen voor (2 tegen 2 bij O6, 4 tegen 4 bij O7, 6 tegen 6 vanaf O8).
Vanaf welke leeftijd is funino zinvol?
Funino werkt vanaf vijf jaar en is tot ongeveer O9 de meest waardevolle trainingsvorm. Vanaf O10 en O11 bouw je het uit naar 5 tegen 5 of 7 tegen 7. Wein bedacht het concept oorspronkelijk tot en met de leeftijd van twaalf. In de KNVB-competitie speelt O8 tot en met O10 6 tegen 6 en O11 en O12 8 tegen 8; funino blijft daarnaast de trainingsvorm.
Hoeveel doeltjes heb ik nodig voor een funinotraining?
Vier doeltjes per veld, elk 2 meter breed en 1 meter hoog. Op een regulier groot veld passen acht funinovelden naast elkaar, dus 32 doeltjes. Wie geen doeltjes heeft, markeert ze met pionnen of stokken. Wein schrijft in het origineel (2011) dat bij verschuiving van een doel de oorspronkelijke plek als lijn geldt. Voor het thuisprogramma lonen echte doeltjes, die gaan meerdere seizoenen mee.
Vervangt funino het conditietraining voor O10 en O11?
Ja, voor het aerobe uithoudingsvermogen volstaat funino. Kleine partijvormen halen dezelfde intensiteit als klassieke intervaltraining, op 90 tot 95 procent van de maximale hartslag. Voor pure sprintscholing is de vorm minder geschikt, omdat de afstand op hoge snelheid per minuut duidelijk onder die van een wedstrijd 11 tegen 11 ligt.
Wat zeg ik tegen ouders die sceptisch zijn over funino?
Drie argumenten overtuigen de meeste ouders: kinderen krijgen in funino vele malen meer balcontacten dan in een grote partijvorm, elk kind maakt gemiddeld zelf doelpunten, en alle teams winnen ongeveer even vaak omdat er geen ranglijst is. De Engelse FA stapt in 2026/27 zelfs volledig over op 3 tegen 3 voor O7. Spanje past funino sinds 1993 toe. Het is een internationale lijn, geen lokale gril.