Je team speelt op zaterdag 6 tegen 6 of 8 tegen 8, zoals elk pupillenteam in Nederland. Dan komt de uitnodiging voor een toernooi binnen, en in het reglement staat 7 tegen 7. Eén speler meer of één minder dan je gewend bent, een ander veld, en langs de lijn vraagt de eerste ouder in welk systeem jullie eigenlijk spelen.
Eerst het eerlijke antwoord: de KNVB kent in de jeugd geen 7 tegen 7. Dit artikel is dus geschreven voor trainers die de vorm op een toernooi of over de grens tegenkomen, en geeft je wat je vóór de eerste aftrap nodig hebt:
- waar 7 tegen 7 wel en niet wordt gespeeld
- veld, speeltijd en spelregels naast 6 tegen 6 en 8 tegen 8
- 7 tegen 7 op het grotere veld
- de drie opstellingen 2-3-1, 3-2-1 en 3-3 met sterke en zwakke kanten
- hoe je opstelt en toch elk kind elke positie laat spelen
- een plan van vier weken naar je eerste wedstrijd
7 tegen 7 in Nederland: wie het speelt
De KNVB legt per leeftijdscategorie één wedstrijdvorm vast. O8, O9 en O10 spelen 6 tegen 6, O11, MO11 en O12 spelen 8 tegen 8, en vanaf O13 gaat het in de regel naar het hele veld. Een trede met zeven spelers zit daar niet tussen. Hoe die opbouw in elkaar zit, lees je in het overzicht van de wedstrijdvormen in het jeugdvoetbal.
Toch bestaat 7 tegen 7 ook bij de KNVB, alleen niet voor kinderen. De bond biedt het aan senioren aan, in de categorieën 18+, 35+ en 45+, als toernooi, reeks of competitie op een half veld.
In de jeugd kom je de vorm op deze plekken tegen:
- Op een toernooi dat hem zelf uitschrijft. Lees het toernooireglement: daar staan het veld, de speeltijd en de spelregels die op die dag gelden.
- Over de grens in Duitsland. De Duitse bond (DFB) staat bij O10 en O11, daar E-Jugend genoemd, vier vormen toe: 7 tegen 7, 6 tegen 6, 5 tegen 5 en 4 tegen 4. Welke er wordt gespeeld, beslist de bond van de deelstaat. Nedersaksen speelt in de regel met vier veldspelers en een keeper en staat 7 tegen 7 alleen op aanvraag toe, Hessen noemt 6 tegen 6 de voorkeursvorm, Württemberg houdt 7 tegen 7 aan.
- In Vlaanderen legt Voetbal Vlaanderen zijn eigen wedstrijdformats vast. Die staan niet in dit artikel. Speel je daar een toernooi, kijk dan in het reglement van Voetbal Vlaanderen en in de uitnodiging.
Voor jou betekent dat: de opstellingen hieronder gelden overal waar zeven tegen zeven staan. De spelregels gelden alleen waar ze bij staan vermeld.
Veld, speeltijd en spelregels vergeleken
De twee wedstrijdvormen van de KNVB voor het seizoen 2026/’27, met daartussen het 7 tegen 7 zoals de Duitse bond het voor O10 en O11 beschrijft:
| Kenmerk | O8 t/m O10 (6 tegen 6) | 7 tegen 7 (Duitsland, DFB) | O11/O12 (8 tegen 8) |
|---|---|---|---|
| Bond | KNVB | DFB | KNVB |
| Spelers | 5 plus keeper | 6 plus keeper | 7 plus keeper |
| Veld | 42,5 × 30 m | ca. 55 × 35 m | 64 × 42,5 m |
| Doel | pupillendoel 5 × 2 m | twee kleine doelen | pupillendoel 5 × 2 m |
| Bal | maat 4 (290 g) | maat 4 (350 g) | maat 5 (320 g) |
| Speeltijd | O8/O9 2 × 20 min, O10 2 × 25 min | 4 × 15 min of 2 × 25 min | 2 × 30 min |
| Uitbal | indribbelen | inworp | indribbelen |
| Buitenspel | nee | nee (per deelstaatbond) | nee |
| Strafschop | 7 m | zie het reglement | 9 m |
| Wedstrijdleiding | spelbegeleider | scheidsrechter optioneel | pupillenscheidsrechter |
| Ranglijst | nee | per deelstaatbond | ja |
In oppervlak uitgedrukt: 6 tegen 6 speelt op ongeveer 1.275 vierkante meter, het Duitse 7 tegen 7 op ongeveer 1.925 en 8 tegen 8 op 2.720. Komt je team uit 6 tegen 6, dan krijgt het de helft meer ruimte en één veldspeler erbij. Komt het uit 8 tegen 8, dan wordt het veld krapper en staat er één speler minder.
Veldgroottes vergeleken: 6 tegen 6, 7 tegen 7 en 8 tegen 8
De twee KNVB-velden met het Duitse veld voor 7 tegen 7 ertussen, op schaal
Bron: KNVB-infographics 6 tegen 6 en 8 tegen 8, seizoen 2026/’27; DFB-Jugendordnung, Anhang IV (editie van 21 augustus 2026)
Buitenspel en terugspeelbal
Hier verandert voor je team weinig. Bij de KNVB is de buitenspelregel in 6 tegen 6 en in 8 tegen 8 niet van toepassing. De Duitse bond laat de keuze aan de deelstaten, en in de bepalingen van Nedersaksen, Hessen en Saksen staat dat er bij O10 en O11 geen buitenspel is. Je spits mag dus overal staan.
Ook de terugspeelbal kennen je spelers al. In beide KNVB-vormen mag de keeper een bal die via de voet wordt teruggespeeld niet oppakken. Gebeurt het toch, dan legt de spelbegeleider of pupillenscheidsrechter eerst uit dat het niet mag, en pas bij herhaling volgt een indirecte vrije trap. Nedersaksen en Hessen passen de regel in 7 tegen 7 ook toe. Voor je opstelling is dat belangrijker dan het klinkt, want je keeper wordt zo de zevende veldspeler in de opbouw.
Uitbal, achterbal en hoekschop
Dit is het punt waar Nederlandse kinderen op een Duits toernooi het vaakst de fout in gaan. Bij de KNVB wordt een uitbal ingedribbeld, passen of schieten is niet toegestaan. Het 7 tegen 7 van de Duitse bond kent de inworp. De regels voor de inworp zijn voor kinderen die nog nooit hebben ingegooid niet vanzelfsprekend.
De achterbal en de hoekschop nemen je spelers in 6 tegen 6 en 8 tegen 8 door in te dribbelen, in te passen of in te schieten, met de tegenstander op minimaal vijf meter. Of dat op jouw toernooi ook zo gaat, staat in het toernooireglement.
Wissels en roulatiespelers
In het 7 tegen 7 van de Duitse bond zit niemand op de bank. De kinderen die niet in de grote wedstrijd staan, spelen op een nevenveld 2 tegen 2 of 3 tegen 3. In de competitiewedstrijd wisselen ze na zeven minuten naar de grote wedstrijd, op festivals en toernooien al na drie minuten, en een overwinning op het nevenveld telt als extra doelpunt. Een Duitse deelstaatbond kan het anders doen: Nedersaksen staat in 7 tegen 7 onbeperkt wisselen toe.
De infographics van de KNVB voor 6 tegen 6 en 8 tegen 8 noemen geen wisselregel. Wel legt de bond een time-out halverwege elke helft vast, van maximaal twee minuten. Daarmee heeft een wedstrijd vier blokken, en dat zijn vier vaste momenten om te wisselen. Hoe je de speeltijd daarover verdeelt, laat speeltijd eerlijk verdelen in het jeugdvoetbal zien.
Uitslagen en ranglijsten
De KNVB publiceert tot en met O10 geen uitslagen en ranglijsten. De uitslag wordt wel ingevoerd, zodat de bond de speelsterkte van teams kan bepalen en ze zo nodig opnieuw kan indelen. Vanaf O11 publiceert de bond beide. In Duitsland beslist ook hier de deelstaat: Württemberg staat ranglijsten toe in de vormen tot en met 5 tegen 5, in 7 tegen 7 worden districtskampioenschappen gespeeld, en Saksen verbiedt ze bij O10 en O11.
7 tegen 7 op het grotere veld
Zeven tegen zeven wordt ook op meer ruimte gespeeld. De Duitse bond beveelt voor O12 en O13, daar D-Jugend genoemd, drie vormen aan: 9 tegen 9, 8 tegen 8 dwars op een helft van het grote veld en 7 tegen 7 op ongeveer 50 bij 65 meter. De doelen zijn 5 meter breed en 2 meter hoog, en er worden kampioenschapswedstrijden gespeeld. Saksen speelt in die leeftijd uitsluitend 7 tegen 7, op 50 tot 60 meter lengte en 30 tot 40 meter breedte.
Het 7 tegen 7 voor senioren van de KNVB wordt op een half veld gespeeld, zonder buitenspel, zonder slidings en met onbeperkt wisselen.
Voor je opstelling verandert het aantal spelers niet, de ruimte wel. Een veld van 50 bij 65 meter heeft ongeveer 3.250 vierkante meter, zo’n 70 procent meer dan het Duitse veld voor O10 en O11. Twee verdedigers dekken die breedte nauwelijks nog af. Op het grotere veld ben je met drie verdedigers beter af. Speelt je team bij O13 of MO13 9 tegen 9, dan staan de passende opstellingen in het artikel over 9 tegen 9.
Wat kinderen in 7 tegen 7 moeten leren
Voordat je een opstelling kiest, loont het om te kijken wat de bond voor deze leeftijd wil. Boven beide wedstrijdvormen zet de KNVB hetzelfde motto: plezier en ontwikkeling voorop. Over de categorieën zonder ranglijst schrijft de bond dat spelers in een ontwikkelfase zitten waarin wedstrijden en competitie geen doel zijn, maar middelen die bijdragen aan het plezier en de ontwikkeling van alle spelers.
Over de opstelling zelf is de bond concreet:
- De formatie volgt de leeftijd. Volgens de kennisbank voor trainers moet de formatie die je kiest vooral passen bij de leeftijd en de ontwikkelfase van de spelers.
- Bij O8 tot en met O10 is spelen in een formatie minder relevant. Daar kun je volstaan met spelers voor en spelers achter.
- Vanaf O11 en O12 kun je een formatie invoeren. Als voorbeeld voor 8 tegen 8 noemt de bond 1-2-3-2 en 1-3-1-3, met de keeper als eerste cijfer.
- Laat spelers meerdere posities proberen en verdeel de speeltijd per wedstrijd eerlijk.
In Duitsland klinkt hetzelfde. De Württembergse bond formuleert het als leidraad voor het jeugdvoetbal: iedereen speelt op elke positie. De Saksische bond schrijft dat spelsystemen met tactiek en ranglijsten zoals bij volwassenen in het kindervoetbal niets te zoeken hebben.
Hoe past daar een artikel over opstellingen bij? Zeven kinderen hebben op bijna 2.000 vierkante meter een ordening nodig, anders lopen ze allemaal achter de bal aan. Een opstelling geeft die ordening. Ze zegt alleen waar iemand bij de aftrap staat. De Württembergse bond keert zich tegen vaste rollen voor negenjarigen, en die heb je hiervoor niet nodig. Zo zijn de opstellingen hieronder bedoeld.
Eén afspraak over de schrijfwijze. De KNVB telt de keeper mee en schrijft 1-2-3-1. Dit artikel schrijft, net als de meeste trainerssites, alleen de zes veldspelers: 2-3-1.
Formatie 2-3-1: de evenwichtige basis
2-3-1 op het veld
Keeper, twee verdedigers, drie middenvelders, één spits
Opbouw: keeper, twee verdedigers naast elkaar, daarvoor drie middenvelders over de hele breedte, voorin één spits.
Spelidee: de 2-3-1 verdeelt de zes veldspelers over drie linies. Wie de bal heeft, vindt bijna altijd twee medespelers in de buurt: één schuin voor zich en één naast zich. De twee buitenste middenvelders lopen de zijlijn op en neer, de middelste verbindt verdediging en aanval.
Voordelen:
- In evenwicht tussen aanval en verdediging, daarom de gebruikelijke eerste keuze
- Veel driehoeken om in te passen, achterin, op het middenveld en voorin
- Drie linies in de diepte, het spel komt stap voor stap naar voren
- De buitenste middenvelders leren beide richtingen, dat helpt later op het grotere veld
Nadelen:
- Maar twee verdedigers, de breedte is achterin lastig af te dekken
- De flanken zijn elk maar enkel bezet
- Zakt het middenveld na balverlies niet mee terug, dan staan de verdedigers alleen tegen de counter
- De spits kan zonder steun van het middenveld lang zonder bal blijven
Wanneer het past: als je team graag combineert en je twee kinderen hebt die achterin rustig blijven. Voor de meeste teams is de 2-3-1 de opstelling waarmee je begint. Komt je team uit 8 tegen 8 en ken je daar de 1-3-1-3, dan herkennen je spelers de drie linies meteen.
Formatie 3-2-1: meer zekerheid achterin
3-2-1 op het veld
Keeper, drie verdedigers, twee middenvelders, één spits
Opbouw: keeper, drie verdedigers op één lijn, twee middenvelders daarvoor, voorin één spits.
Spelidee: de 3-2-1 ruilt een middenvelder in voor een derde verdediger. Het team staat achterin dichter bij elkaar. Naar voren gaat het via de twee buitenste verdedigers, die mee opkomen zodra de bal veilig is.
Voordelen:
- Verdedigend compacter, het midden is moeilijk te doorbreken
- Drie verdedigers dekken de breedte van het veld af
- Geeft houvast aan kinderen die zich met twee verdedigers overvraagd voelen
- Bereidt voor op verdedigen met drie, zoals in beide basissystemen voor 9 tegen 9 (3-2-3 en 3-3-2)
Nadelen:
- Voorin ontbreekt de breedte, de aanvallende flank blijft vaak leeg
- Erg lange loopafstanden voor de buitenste verdedigers als ze ook moeten aanvallen
- Blijven de buitenste verdedigers achter, dan wordt het spel passief
- Maar drie kinderen voor de bal, in de aanval ontbreken aanspeelpunten
Wanneer het past: als je team veel tegendoelpunten uit counters krijgt, als je tegen duidelijk sterkere tegenstanders speelt, of in 7 tegen 7 op het grotere veld.
Formatie 3-3: twee linies voor de start
3-3 op het veld
Keeper, drie verdedigers, drie aanvallers
Opbouw: keeper, drie verdedigers, drie aanvallers. Een middenveld is er niet.
Spelidee: de 3-3 sluit aan bij wat kinderen uit 6 tegen 6 kennen: spelers achter en spelers voor. Elk kind heeft een partner voor of achter zich en een duidelijke kant.
Voordelen:
- De breedte is voor en achter goed afgedekt
- Heel eenvoudig uit te leggen, ook op de eerste training na de vakantie
- Elk kind heeft een kant en een partner, dat geeft houvast
Nadelen:
- Weinig driehoeken om in te passen, vooral voor de buitenspelers
- Maar twee linies in de diepte, de ruimte ertussen blijft leeg
- Lange ballen van achter naar voren worden de makkelijkste oplossing
Wanneer het past: in de eerste twee tot drie weken, zolang het veld en het aantal spelers nog nieuw zijn, en bij teams die uit 6 tegen 6 komen. Daarna loont de stap naar de 2-3-1, omdat de derde linie het samenspel pas mogelijk maakt.
Welke opstelling past bij jouw selectie?
Deze vragen helpen bij de keuze:
- Uit welke vorm komt je team? Uit 6 tegen 6: begin met de 3-3 en stap na een paar weken over. Uit 8 tegen 8: meteen de 2-3-1, want linies kennen je spelers al.
- Hoe zeker zijn je verdedigers? Twee kinderen die rustig blijven aan de bal: 2-3-1. Veel tegendoelpunten uit counters: 3-2-1, tot de afstemming beter wordt.
- Hoeveel kunnen je buitenspelers lopen? Lopen ze graag de lijn op en neer, dan horen ze op het middenveld van de 2-3-1. Ontbreekt de conditie, dan ontlast de 3-3 hen met kortere afstanden.
Sta je voor het eerst met zeven tegen zeven, dan is de 2-3-1 de keuze die het meeste draagt. Ze verdeelt de kinderen gelijkmatig over het veld, en ze sluit het best aan op de linies van 8 tegen 8 en 9 tegen 9.
Opstellen en toch rouleren
Zo breng je het advies van de KNVB in praktijk zonder de ordening los te laten: de zeven plekken blijven, wie erop staat verandert.
Het makkelijkst gaat dat met vier blokken. Het Duitse 7 tegen 7 heeft vier kwarten van 15 minuten, en een KNVB-wedstrijd heeft door de time-out halverwege elke helft ook vier blokken. Na elk blok schuift elk kind één positie door: de linksachter naar links op het middenveld, de linkermiddenvelder naar de spits, de spits naar het doel. Na één wedstrijd heeft elk kind minstens twee linies leren kennen, en na twee wedstrijden heeft iedereen een keer gekeept.
Dit helpt daarbij:
- Het doel hoort bij het rouleren. Op deze leeftijd is nog niemand keeper. Wie in het doel heeft gestaan, weet later als veldspeler hoe een terugspeelbal aanvoelt.
- Schrijf de volgorde vooraf op. Langs de lijn vergeet je anders de kinderen die stil zijn. Ook de KNVB raadt aan wissels vooraf te plannen.
- Vertel de ouders waarom. Een kind dat als spits drie keer scoort en het blok daarna verdedigt, roept vragen op. Het antwoord staat op de infographic van de bond: plezier en ontwikkeling voorop.
Dezelfde houding draagt de funino-trainersgids, waaruit veel van je spelers het rouleren al kennen.
Vier weken naar je eerste 7 tegen 7
Een plan voor de weken vóór het toernooi:
Week 1: het veld ervaren. Zet een veld van ongeveer 55 bij 35 meter uit en begin elke training met tien minuten vrij spel, zonder opdrachten. Kinderen uit 6 tegen 6 moeten voelen hoe ver het naar het andere doel is. Kinderen uit 8 tegen 8 merken dat de tegenstander er sneller bij staat.
Week 2: elke positie een keer. Stel op in de 3-3 en laat iedereen om de vijf minuten één positie doorschuiven, het doel inbegrepen. Aan het eind van de week heeft elk kind achter, voor en in het doel gestaan.
Week 3: wat nieuw is. Oefen de inworp, want in de competitie dribbelen je spelers de bal in. Daarnaast de opbouw via de keeper: bij een terugspeelbal moet de keeper de bal met de voet kunnen aannemen en doorspelen. Een spelvorm daarvoor en vijf andere staan bij de oefeningen voor 6 tegen 6 en 8 tegen 8.
Week 4: de eerste wedstrijd. Treed aan met een duidelijke opstelling, het liefst de 2-3-1, en houd vast aan je roulatie, ook als het spannend wordt. Bespreek na afloop precies één ding dat goed ging en één ding dat jullie gaan oefenen. De eerste wedstrijd in een nieuwe vorm wordt rommelig, en dat hoort erbij.
Veelgemaakte fouten bij 7 tegen 7
Vijf fouten die je jezelf kunt besparen:
- Posities vastleggen. Wie op zijn negende "de verdediger" is, blijft dat vaak jaren. De bond wil het omgekeerde, en de kinderen ook.
- De sterksten in het midden, de zwaksten aan de kant. Dat wint wedstrijden en ontneemt de kinderen aan de rand de balcontacten die ze het hardst nodig hebben.
- De keeper buiten het spel houden. Met de terugspeelbal hoort de keeper bij de opbouw. Een keeper die alleen uittrapt, leert op deze leeftijd het verkeerde.
- De regels van de organisator niet kennen. Inworp of indribbelen, doelpunt pas vanaf de middenlijn, wel of geen ranglijst: zulke punten bepalen op de toernooidag of het rustig blijft.
- Trainen alsof het het grote veld is. Voorzetten en de buitenspelval horen niet thuis in 7 tegen 7, en koppen hoort nog geen focus van de training te zijn. Twee tegen één, dribbelen en de eerste pass naar voren wel, bijvoorbeeld met de dribbeloefeningen voor O9 tot O11.
Om te wennen loont een klein toernooi met twee of drie verenigingen uit de buurt. Een hulpmiddel als AreaCopa maakt het wedstrijdschema en de aanvangstijden in een paar minuten voor je, zonder spreadsheet.
De opstelling is een startpositie
In 7 tegen 7 beschrijft de opstelling waar je team bij de aftrap staat, en niet wat er van een kind van negen ooit wordt. De 3-3 voor de eerste weken, de 2-3-1 als basis, de 3-2-1 voor meer zekerheid, en in elk daarvan schuiven de kinderen van blok tot blok door.
Welke spelregels er gelden, staat in het reglement van het toernooi of van de bond die het organiseert: inworp of indribbelen, de speeltijd, en of er een ranglijst wordt bijgehouden. In de eigen competitie blijft je team gewoon 6 tegen 6 of 8 tegen 8 spelen.
Organiseer je zelf een toernooi, dan neemt de app voor het jeugdvoetbaltoernooi het wedstrijdschema, de velden en de link voor de ouders over.
Mijn jeugdtoernooi in 7 tegen 7 plannenGratis en zonder registratieBronnen
De Nederlandse maten, speeltijden en spelregels in dit artikel komen uit documenten van de KNVB. De Duitse cijfers komen uit de reglementen van de DFB en van vier deelstaatbonden.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 6 tegen 6. Bron voor veld, doel, bal, speeltijd, time-out, buitenspel, terugspeelbal, uitbal, achterbal, hoekschop en ranglijst bij O8, O9 en O10.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 8 tegen 8. Bron voor dezelfde punten bij O11, MO11 en O12.
- KNVB. De opstelling, kennisbank van het trainersdashboard. Bron voor het advies over formaties per leeftijd, meerdere posities en eerlijke speeltijd.
- KNVB. 7x7-voetbal voor mannen. Bron voor 7 tegen 7 bij senioren: categorieën, half veld, geen buitenspel, onbeperkt wisselen.
- Duitse voetbalbond, DFB (editie van 21 augustus 2026). Jugendordnung, § 8, § 8a, Anhang IV. Bron voor de vormen bij O10 en O11, veld, bal en speeltijd van 7 tegen 7 en voor 7 tegen 7 bij O12 en O13.
- Duitse voetbalbond, DFB (editie van 5 maart 2026). Neue Wettbewerbsformen. Handboek met het verloop van 7 tegen 7, de nevenvelden voor roulatiespelers en de inworp.
- Niedersächsischer Fußballverband (juli 2026). Jugendordnung, Anhang 1 en 2. Bron voor 7 tegen 7 op aanvraag, buitenspel, terugspeelbal, doelpunt vanaf de middenlijn en onbeperkt wisselen.
- Hessischer Fußball-Verband (juli 2026). Allgemeine Bestimmungen für die neuen Wettbewerbsformen der G-, F- und E-Junioren 2026/2027. Bron voor 6 tegen 6 als voorkeursvorm, buitenspel en terugspeelbal.
- Sächsischer Fußball-Verband (geldig vanaf 1 juli 2026). Kleinfeldbestimmungen. Bron voor 7 tegen 7 bij O12 en O13, het verbod op ranglijsten en de passage over spelsystemen.
- Württembergischer Fußballverband (juli 2026). Leitfaden Kinderfußball 2026/27. Bron voor de leidraad dat iedereen op elke positie speelt en voor ranglijsten in de vormen tot en met 5 tegen 5.
De formats van Voetbal Vlaanderen zijn voor dit artikel niet uitgewerkt. De regels voor jouw wedstrijd staan in het reglement van het toernooi of van de organiserende bond.



