Zaterdag staat 6 tegen 6 of 8 tegen 8 op het programma, en op dinsdag vraag je je af wat je daarvoor moet trainen. Het ligt voor de hand om dan de wedstrijd na te spelen, op het hele veld en met alle kinderen tegelijk. De Duitse voetbalbond (DFB) rekent voor waarom dat weinig oplevert, en de KNVB bouwt zijn oefeningen zelf op uit kleine aantallen.
Eerst de afbakening. Dit artikel is de Nederlandse bewerking van een Duits stuk over trainen voor 7 tegen 7, de wedstrijdvorm van de Duitse O10 en O11. De KNVB kent in de jeugd geen 7 tegen 7: O8 tot en met O10 spelen 6 tegen 6, O11 en O12 spelen 8 tegen 8. De spelvormen hieronder gaan niet verder dan 4 tegen 4 en zijn dus kleiner dan beide wedstrijdvormen. Ze passen bij allebei.
Je krijgt:
- de onderbouwing van de Duitse bond in vier getallen
- de opbouw van een training volgens de KNVB en volgens de Duitse bond
- zes spelvormen met veldmaat, aantal spelers en duur, geordend naar wat de wedstrijd van je spelers vraagt
- een kant-en-klare training voor 16 kinderen
- het advies van de KNVB over koppen
Speel je een toernooi waar wel 7 tegen 7 in het reglement staat, dan vind je de spelregels, de maten en de formaties bij de 7 tegen 7 opstelling.
Waarom je de wedstrijd in kleine spelvormen traint
De getallen staan in de Trainingsphilosophie Deutschland, de leidraad van de Duitse bond voor de training van de jongste jeugd tot en met O19. De bond vergelijkt daarin twee vormen rechtstreeks en telt wat één kind in 32 minuten zuivere speeltijd meemaakt:
| In 32 minuten zuivere speeltijd per kind | 3 tegen 3 | 7 tegen 7 |
|---|---|---|
| Balacties | 200 | 50 |
| Beslissingen | 200 | 50 |
| Duels | 100 | 30 |
| Doelpogingen | 25 | 5 |
De telling gaat over 7 tegen 7, met één veldspeler meer dan 6 tegen 6 en één minder dan 8 tegen 8. Een eigen telling van de KNVB voor die twee wedstrijdvormen is voor dit artikel niet gevonden.
Op het grote veld staat een kind het grootste deel van de tijd ver van de bal. Op de wedstrijddag valt daar niets aan te doen, op de training is het verspilde tijd. De Duitse bond leidt er drie regels uit af voor zijn O10 en O11:
- De bovengrens. Geen spelvorm op de training is groter dan 4 plus keeper tegen 4 plus keeper.
- Meerdere velden tegelijk. Alleen zo spelen alle kinderen en staat er niemand in een rij.
- 48 minuten per week. Zo veel zuivere speeltijd in kleine spelvormen hoort elk kind van O8 tot en met O16 minstens te krijgen.
De KNVB noemt op zijn trainerspagina’s geen bovengrens, maar bouwt op dezelfde manier. Een oefening is daar een vereenvoudiging van 4 tegen 4: 1 tegen 1, 1 tegen 2, 2 tegen 2, 3 tegen 2, 3 tegen 3 of 4 tegen 3, met of zonder doelen en keepers. De bond schrijft erbij waar het om gaat: dat spelers veel balcontacten hebben.
De wedstrijd verdwijnt daarmee niet uit je training. Je haalt haar uit elkaar in haar taken: met de keeper opbouwen, breedte en diepte bezetten, het duel winnen, afronden, omschakelen na balverlies en balwinst. Voor elk van die taken bestaat een kleine vorm waarin ze om de paar seconden terugkomt.
Zo is een training voor pupillen opgebouwd
Begin bij de eigen bond. De KNVB raadt aan voor elke training dezelfde structuur en volgorde te gebruiken, omdat dat het voor kinderen herkenbaar maakt. Die vaste structuur bestaat uit een warming-up, een oefening en een afsluitende grote partijvorm. Wie net begint, kan bij de pupillen uitgaan van drie onderdelen in zestig minuten: een oefening, nog een oefening en een partijvorm.
Wat de bond over die onderdelen zegt:
- De oefening traint één onderdeel van het voetballen, bijvoorbeeld de opbouw van achteruit of het creëren van kansen, in een vereenvoudiging van 4 tegen 4.
- De partijvorm komt daarna, bijvoorbeeld 4 tegen 4. Je laat de kinderen vooral voetballen en legt het spel niet meer stil.
- Het doel volgt de leeftijd. Bij Onder 8 en Onder 9 is dat doelgericht handelen met de bal, bij Onder 10 en Onder 11 doelgericht samenspelen, bij Onder 12 spelen vanuit een basistaak.
- Het seizoen in blokken. De bond raadt blokken van zes tot acht weken aan rond vier doelstellingen. De eerste daarvan is opbouwen op eigen helft vanaf de keeper.
Een aantal trainingen per week en vaste veldmaten voor 3 tegen 3 of 4 tegen 4 staan op de gelezen KNVB-pagina’s niet. Wel noemt de bond naast zestig minuten ook trainingen van 75 en negentig minuten. Voor minuten per blok kijk je daarom het best naar Duitsland.
De „beste training“ van de Duitse bond heeft vier blokken:
| Blok | Duur | Inhoud |
|---|---|---|
| Activering | 15 minuten | dribbelen en schijnbewegingen, tikspelen met en zonder bal |
| Spelblok 1 | 30 minuten | 1 tegen 1 tot 4 tegen 4 op meerdere velden, op doelen |
| Tussenblok | 15 minuten | techniek en snelheid: schieten, passen, aannemen en meenemen, sprints |
| Spelblok 2 | 30 minuten | opnieuw 1 tegen 1 tot 4 tegen 4 op meerdere velden |
In de spelblokken speelt elk kind meerdere keren drie tot vier minuten en heeft het daarna één tot twee minuten pauze. In het tussenblok hoort wat in het spel te weinig voorkomt om er beter in te worden.
De trainingsbundel van de regionale bond van Zuid-Baden, samengesteld met de profclub SC Freiburg, komt met tachtig minuten uit. Hij verdeelt de training in vier fasen van twintig minuten: een algemeen spel of een spelvorm, een oefenvorm, een kleine spelvorm en een vrije spelvorm. Driekwart van de tijd is dus spel, en de tijden zijn richtwaarden.
Over de frequentie zijn de twee Duitse bronnen het eens: twee keer voetbal per week. De landelijke bond noemt dat een minimum, in Zuid-Baden komt er een andere sport bij.
De volgende zes spelvormen passen in de spelblokken en in het tussenblok. Vijf komen uit de bundel van de Zuid-Badense bond, één uit een Spaans weekplan voor negenjarigen. Maten, aantallen en tijden zijn overgenomen zoals de bronnen ze geven.
Spelvorm 1: opbouwen met de keeper
In 6 tegen 6 en in 8 tegen 8 mag de keeper een terugspeelbal niet oppakken, en de achterbal wordt vanaf de grond genomen door in te dribbelen, in te passen of in te schieten. De opbouw begint dus bij de voeten van je keeper. Op het veld van 8 tegen 8, 64 meter lang, ligt er bovendien veel meer ruimte voor hem dan op het veld van 6 tegen 6.
Voor precies deze situatie leverde de zoektocht in de Duitse trainingsbundels geen vorm met maten op. De volgende komt uit een weekplan van de Spaanse trainersopleider AFOPRO voor de leeftijdsklasse Benjamín, waarin acht- en negenjarigen 7 tegen 7 spelen.
Opstelling spelvorm 1: opbouwen 2 tegen 2 plus keeper
Veld 40 bij 30 m. De keeper opent, twee kinderen bouwen op en scoren op de kleine doeltjes.
Opstelling: veld van 40 bij 30 meter. Op de ene achterlijn staat een doel met keeper, op de andere staan twee kleine doeltjes. Twee kinderen bouwen op, twee zetten druk.
Verloop: de keeper begint met een stilliggende bal en speelt een van de twee opbouwende kinderen aan. Het ene biedt zich aan de zijkant aan, het andere zoekt de vrije ruimte in het midden. Samen proberen ze op een van de kleine doeltjes te scoren. Veroveren de twee anderen de bal, dan schieten zij op het grote doel, en de twee opbouwers verdedigen samen met de keeper. Na elk doelpunt begint het weer bij de keeper.
Duur: twee series van acht minuten, met drie minuten pauze ertussen. Daarna wisselen de tweetallen van taak.
Wat je coacht: de eerste balaanraking gaat naar voren, het lichaam staat open naar het veld. Voor het eigen doel speelt niemand breed door het midden.
Om te beginnen: de tegenstanders zetten pas druk als het aangespeelde kind de bal heeft geraakt. Zo is er voor de eerste pass altijd tijd.
Welke techniek je keeper hiervoor nodig heeft en hoe je die zonder eigen keeperstrainer oefent, staat in het artikel over keeperstraining zonder keeperstrainer.
Spelvorm 2: 3 tegen 3 in de diepte met kaatsers
Een groter veld verleidt kinderen ertoe allemaal naar de bal te lopen. Deze vorm beloont het omgekeerde: de zijkant gebruiken en achter de laatste lijn spelen.
Opstelling spelvorm 2: 3 tegen 3 in de diepte met kaatsers
Veld 26 bij 20 m, middenvak 12 m. Een punt voor de pass in het eindvak, een voor het doelpunt daarna.
Opstelling: veld van 26 bij 20 meter. Het middenvak is 12 meter lang, ervoor en erachter ligt een eindvak met een klein doeltje. Acht kinderen: 3 tegen 3 en twee neutrale kaatsers aan de zijlijnen van het middenvak.
Verloop: het spel begint in het middenvak. De kaatsers mogen worden aangespeeld, hebben twee balcontacten en mogen zelf in de eindvakken passen. Een punt krijgt het team dat een pass in de diepte speelt die een medespeler in het eindvak aanneemt. Een doelpunt na zo’n pass levert nog een punt op.
Duur: twee tot drie minuten, daarna wisselen de taken.
Wat je coacht: wie voorin staat, start het eindvak in zodra de medespeler het hoofd optilt. De pass via de zijkant maakt het midden vrij.
Variant: de lijn tussen middenvak en eindvak geldt als buitenspellijn. In 6 tegen 6 en 8 tegen 8 is de buitenspelregel niet van toepassing, dus deze variant heeft pas zin als je team naar een wedstrijdvorm met buitenspel gaat.
Spelvorm 3: 1 tegen 1 met omschakelen
Meer ruimte betekent meer duels waarin geen medespeler in de buurt is. Deze vorm koppelt de dribbel aan het moment erna.
Opstelling spelvorm 3: 1 tegen 1 met omschakelen
Veld 20 bij 8 m, twee doelen met keeper. Wie heeft afgerond, verdedigt meteen.
Opstelling: veld van 20 bij 8 meter, op elke achterlijn een doel met keeper. Twee teams stellen zich met ballen naast de doelen op. Minstens vier kinderen.
Verloop: een kind van het eerste team dribbelt het veld in en rondt af op het doel aan de overkant. Op het moment van de afronding start een kind van het tweede team met bal het veld in. Het eerste kind wordt verdediger. Verovert het de bal, dan countert het op het andere doel. Zo gaat het zonder onderbreking door.
Wat je coacht: na het schot is er geen tijd om te kijken. De verdediger stelt zich schuin op en stuurt de dribbel naar buiten.
Varianten: maak vaste tweetallen, zodat even sterke kinderen tegen elkaar spelen. Of laat het aantal groeien: na het eerste schot starten twee kinderen, dan twee tegen drie, dan vier tegen drie.
De schijnbewegingen waarmee je spelers in het duel voorbijkomen, oefen je met de dribbeloefeningen voor O9 tot O11.
Spelvorm 4: vrijlopen en afronden
Vijf doelpogingen in 32 minuten: zo weinig blijft er in de Duitse telling voor een kind over in 7 tegen 7. Deze vorm voor het tussenblok levert in één minuut meer afrondingen op, en elk daarvan komt tot stand tegen een tegenstander.
Opstelling spelvorm 4: vrijlopen en afronden
Veld 20 bij 15 m, twee doelen met keeper. Rolwissel na een minuut.
Opstelling: veld van 20 bij 15 meter, twee pupillendoelen met keepers. In het veld staan een aanvaller en een verdediger. Jij staat met minstens vijf ballen aan de zijkant. Minstens vier kinderen, van wie twee in het doel.
Verloop: de aanvaller maakt zich los van de verdediger, krijgt jouw pass en rondt af op een van de twee doelen. Daarna vraagt hij meteen om de volgende bal. De verdediger probeert de afrondingen te voorkomen.
Duur: één minuut, dan wisselen de rollen.
Wat je coacht: eerst weg van de bal, dan naar de bal toe. De aanvaller wijst met de hand aan waar hij de pass wil hebben.
Varianten: de ballen komen van medespelers die rond het veld staan. Verovert de verdediger de bal, dan countert hij op het andere doel.
Scoort je team in het algemeen te weinig, dan ligt dat vaak aan een van vijf oorzaken. Die staan met drie korte vormen bij de afwerkoefeningen voor de jeugd.
Spelvorm 5: aanvallen in overtal en ondertal
In de wedstrijd verandert de getalsverhouding voortdurend. De ene aanval loopt drie tegen één, bij de volgende staan er vier verdedigers voor. In deze vorm bepaal jij haar met één roep.
Opstelling spelvorm 5: aanvallen in overtal en ondertal
Veld 26 bij 20 m. Drie vallen aan, de trainer roept hoeveel er verdedigen.
Opstelling: veld van 26 bij 20 meter, met een pupillendoel met keeper op de ene achterlijn en twee kleine doeltjes op de andere. Minstens acht kinderen: drie aanvallers, vier verdedigers, een keeper. Elke verdediger heeft een nummer en een eigen startplek aan de rand van het veld.
Verloop: de drie aanvallers starten richting het doel met keeper. Jij roept één, twee, drie of vier nummers, en die verdedigers lopen het veld in. Veroveren ze de bal, dan counteren ze op de kleine doeltjes.
Duur: rolwissel na een vast aantal aanvallen. Zes is een goed begin.
Wat je coacht: in overtal de vrije medespeler zoeken, in ondertal het duel aangaan. Na balverlies jagen de aanvallers meteen op de bal.
Variant: je roept alleen het aantal. De verdedigers regelen zelf wie er loopt.
Vier kreten die je spelers daarbij helpen en drie andere vormen vind je bij het omschakelen in het jeugdvoetbal.
Spelvorm 6: 4 tegen 4 in 4 vakken
Van de zes vormen komt deze het dichtst bij de wedstrijd, al spelen er maar tien kinderen mee. Ze dwingt het team om breedte en diepte te houden, en ze begint telkens opnieuw met de opbouw.
Opstelling spelvorm 6: 4 tegen 4 in 4 vakken
Veld 26 bij 20 m, twee doelen met keeper. Elk kind blijft in zijn vak.
Opstelling: veld van 26 bij 20 meter, twee doelen met keepers. Pionnen verdelen het veld in twee buitenvakken langs de zijlijnen en in een voorste en een achterste helft van het midden. In elk vak staat één kind per team. Tien kinderen.
Verloop: er wordt 4 tegen 4 gespeeld. Passes gaan door alle vakken, maar elk kind blijft in zijn eigen vak. Doelpunten tellen van overal. Na een doelpunt begint het spel bij de keeper van het team dat het tegen kreeg.
Duur: korte series van twee tot drie minuten, want in elk vak loopt onafgebroken een duel. Daarna schuift iedereen een vak door.
Wat je coacht: wie in zijn vak achter de tegenstander blijft staan, krijgt geen bal. De kinderen in de buitenvakken bieden zich zo aan dat de keeper ze over de grond kan aanspelen.
Varianten: de keeper mag per aanval maar één keer worden aangespeeld. In balbezit mogen de kinderen van vak wisselen, zolang elk vak bezet blijft.
Een training voor 16 kinderen in 90 minuten
Met de zes vormen kun je een training bouwen volgens de structuur van de Duitse bond. Het volgende voorstel rekent met 14 veldspelers en twee keepers.
| Tijd | Blok | Wat er loopt |
|---|---|---|
| 0 tot 15 | Activering | Vier rondo’s 3 tegen 1 op elk 8 bij 8 meter. Wie de bal verovert, wisselt met het kind dat hem verloor. |
| 15 tot 45 | Spelblok 1 | Veld A: spelvorm 2 met acht kinderen. Veld B: spelvorm 3 met zes kinderen en beide keepers. Na 15 minuten wisselen de groepen. |
| 45 tot 60 | Tussenblok | Spelvorm 4 op beide velden, op veld A zonder keeper op twee kleine doeltjes. Wie niet in het veld staat, speelt de ballen van buiten in. |
| 60 tot 90 | Spelblok 2 | Veld B: spelvorm 6 met acht kinderen en beide keepers. Veld A: vrije 3 tegen 3 op vier kleine doeltjes. Na 15 minuten wisselen zes kinderen van veld. |
Het rondo komt uit dezelfde bundel als de spelvormen 2 tot en met 6. De extra regel past bij het thema: na balverlies hebben de drie kinderen vijf seconden om de bal terug te halen, pas daarna wisselen ze.
Train je zestig minuten, de duur waar de KNVB voor beginnende pupillentrainers van uitgaat, dan laat je het tweede spelblok weg. Wat overblijft is een warming-up, een blok met oefeningen en het afronden. Sluit dan af met de vrije 3 tegen 3 in plaats van spelvorm 4, zodat de training zoals bij de KNVB eindigt met een partijvorm.
Twee dingen maken de organisatie makkelijker. Leg naast elk veld reserveballen, zodat geen spel hoeft te wachten op een weggeschoten bal. En laat de kinderen hun partijen zelf regelen. Niet elk veld heeft voortdurend een trainer nodig, en een scheidsrechter hebben de kinderen helemaal niet nodig.
In de week daarna ruil je spelvorm 2 voor spelvorm 1 en spelvorm 6 voor spelvorm 5. De opbouw van de training blijft gelijk, en de kinderen kennen het verloop.
Koppen bij de pupillen: wat de KNVB adviseert
In geen van de zes spelvormen komt een kopbal voor. Dat is opzet, en het past bij wat de KNVB zelf doet om het aantal kopballen te beperken. Jeugdteams tot en met Onder 12 spelen op kleinere velden met lichtere ballen, en de uitbal wordt ingedribbeld. In de wedstrijd is dat maat 4 van 290 gram bij 6 tegen 6 en maat 5 van 320 gram bij 8 tegen 8. Volgens de bond koppen spelers in Onder 13 gemiddeld maar één keer per twaalf wedstrijden.
Een verbod wil de KNVB daarom niet. Kinderen horen de techniek spelenderwijs en verantwoord te leren, zodat ze later veilig kunnen koppen. Sinds seizoen 2025/’26 gelden daarvoor deze richtlijnen:
- Weinig herhalingen. Tot Onder 12 maximaal 5 tot 10 kopballen per training.
- Niet vaak. Koptechniek train je bij voorkeur één keer per maand en zeker niet meer dan één keer per week.
- Herstel. Na een koptraining en na een wedstrijd volgen minstens twee dagen zonder koppen.
- Lichte ballen en een lage impact. Gebruik lichtere ballen of foamballen, en laat de bal met een boogje over een paar meter komen in plaats van uit een harde voorzet of een lange bal.
- Minder lange ballen. Hervat het spel op de training vanaf de grond in plaats van met een trap uit de handen van de keeper, en laat de kinderen van positie doordraaien.
De kopvormen van de bond horen bij het programma Voetbalfit en zijn bedoeld voor de opstart van een training, of als instuifoefening zolang nog niet alle spelers er zijn.
Duitsland kiest dezelfde lijn. Ook de Duitse bond verbiedt het koppen niet, wil het op deze leeftijd niet als zwaartepunt van de training en raadt lichte ballen aan die eerst met de hand worden aangegooid.
Vier fouten bij het trainen voor de wedstrijd
Vier fouten waarvoor de bonden waarschuwen of die uit hun getallen volgen:
- De hele training de wedstrijd naspelen. Het voelt als voorbereiding, maar in de Duitse telling geeft de grote vorm elk kind een kwart van de balacties. Een korte partij op het hele veld is genoeg om de afstanden te ervaren.
- Eén station, één rij. Staan er tien kinderen te wachten om één keer te schieten, dan trainen er twee. De KNVB stelt dezelfde vraag: kan de wachttijd korter door de vorm twee keer uit te zetten?
- Elke beslissing voorzeggen. “Schiet!” en “Speel af!” nemen het kind de keuze uit handen die het moet leren maken. Geef de regel van de spelvorm mee en houd je daarna in. De KNVB raadt aan het spel alleen stil te leggen als de spelers er echt iets van kunnen leren.
- Stof van het grote veld centraal zetten. In de techniekvorm van de KNVB gaat het om aannemen, passen en mikken, dribbelen en passeren, en schieten. Ingestudeerde patronen en reeksen kopballen horen daar niet bij.
Van de training naar de wedstrijd
Je hebt voor 6 tegen 6 of 8 tegen 8 geen apart programma nodig. Het volstaat om de vijf taken van de wedstrijd in kleine vormen te leggen. Laat ze op twee velden tegelijk lopen en laat de keuzes aan de kinderen. De structuur blijft week na week gelijk, alleen de spelvormen wisselen.
Wat daarvan op de wedstrijddag aankomt, zie je het best in een omgeving zonder ranglijst. Een middag met twee of drie verenigingen uit de buurt volstaat: korte wedstrijden, elk team tegen elk ander team. Daar zie je of de keeper over de grond opent en of er iemand de diepte in start.
Mijn wedstrijdschema voor een pupillentoernooi makenGratis en zonder registratieBronnen
De opbouw van de training en het advies over koppen komen van de KNVB. De Duitse trainingsstructuur komt van de DFB, vijf van de zes spelvormen van de regionale bond van Zuid-Baden, één van een Spaanse trainersopleider. Waar iets niet uit de bron komt maar voor dit artikel is toegevoegd, staat dat hieronder.
- KNVB (zonder datum). Hoe bereid ik een training voor? Bron voor de vaste structuur en volgorde, de drie onderdelen in zestig minuten voor beginnende pupillentrainers en de trainingen van 75 en negentig minuten.
- KNVB, Rinus (laatst gewijzigd op 31 juli 2025). De inhoud van de training. Bron voor warming-up, oefening en afsluitende grote partijvorm, de oefening als vereenvoudiging van 4 tegen 4, de balcontacten, de toets of een vorm goed is afgesteld, de wachttijd, het stilleggen van het spel, de techniekvorm en de blokken van zes tot acht weken.
- KNVB (zonder datum). Welke doelstellingen en voetbalvormen passen bij mijn spelers?, kennisbank van het trainersdashboard. Bron voor de doelstelling per leeftijdscategorie.
- KNVB (zonder datum, richtlijnen voor seizoen 2025/’26). Veilig koppen in het voetbal, met de white paper Veilig koppen. Verstandig spel. Bron voor het ontbreken van een kopverbod, de aantallen kopballen, de frequentie, de hersteltijd, de lichte ballen en het cijfer over Onder 13.
- KNVB, Rinus (laatst gewijzigd op 28 augustus 2025). Verantwoord koppen. Bron voor de lage impact bij het aanleren en voor de plaats van de kopvormen in het programma Voetbalfit.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 6 tegen 6 en Infographic wedstrijdvorm 8 tegen 8. Bron voor de leeftijdscategorieën, het veld van 8 tegen 8, de ballen, de terugspeelbal, de achterbal, de uitbal en de buitenspelregel.
- Duitse voetbalbond, DFB (zonder datum, met verwijzing naar de zomer van 2024). Trainingsphilosophie Deutschland. Bron voor de vier blokken, de bovengrens van 4 plus keeper tegen 4 plus keeper bij O10 en O11, de tabel met acties in 3 tegen 3 en 7 tegen 7, de 48 minuten zuivere speeltijd per week en het advies van twee trainingen.
- Südbadischer Fußballverband met SC Freiburg (zonder datum). Auf dem Platz: Trainingssammlung für den Kinderfußball, E-Jugend, Phase 3, Kleine Spielformen. Bron voor de vier fasen van twintig minuten, de twee trainingen per week, het rondo 3 tegen 1, de veldmaten voor 3 tegen 3 en 4 tegen 4 en de spelvormen 2 tot en met 5. De koppeling van deze vormen aan de taken van de wedstrijd is een toevoeging van dit artikel, de bundel zelf noemt die niet.
- Südbadischer Fußballverband met SC Freiburg (zonder datum). Auf dem Platz: E-Jugend, Phase 4, Freie Spielform. Bron voor spelvorm 6, de regel voor de veldgrootte en de aanwijzingen over reserveballen en spelen zonder scheidsrechter. De duur van twee tot drie minuten en het doorschuiven van de vakken zijn toegevoegd, de bron schrijft „kurze Durchgänge“.
- AFOPRO, Academia de Formación de Profesionales del Fútbol (25 april 2018). Microciclo completo de entrenamiento: salida de balón en etapa benjamín. Bron voor spelvorm 1, in het origineel „Salida de balón 2 x 2 + portero“. De vereenvoudiging om te beginnen leunt op de opdracht „Superar presión en zona de iniciación“ uit hetzelfde plan.
- Duitse voetbalbond, DFB (september 2024). Wettbewerbsformen im Kinderfußball, leeftijden U6 tot en met U11. Bron voor de Duitse uitspraken over koppen op de training.
- Duitse voetbalbond, DFB (zonder datum). Kopfballspiel. Bron voor de Duitse aanbevelingen bij de koptraining.
- The Football Association (zonder datum). Heading in football. Bron voor de regeling in Engeland.
- US Youth Soccer (23 juni 2026). Policy on Players and Playing Rules, Rule 305. Bron voor de regeling in de Verenigde Staten.
De training voor 16 kinderen en de ingekorte versie van zestig minuten zijn voorstellen van dit artikel. Een aantal trainingen per week, een bovengrens voor de grootte van spelvormen en veldmaten voor kleine partijen zijn op de gelezen KNVB-pagina’s niet gevonden. De documenten van Voetbal Vlaanderen zijn voor dit artikel niet uitgewerkt, en de trainingsbundels van de overige Duitse regionale bonden zijn niet bekeken.



