Vorig seizoen speelde je team 8 tegen 8 op bijna een half veld, op pupillendoelen van vijf meter breed en zonder buitenspel. Na de zomer staat het op het hele veld. Het doel is 7,32 meter breed, je keeper komt amper bij de lat, en de zijlijn is bijna veertig meter langer dan in juni.
Dit artikel is geschreven voor trainers die voor het eerst met een O13 het grote veld op gaan:
- wat er verandert ten opzichte van 8 tegen 8
- welke spelregels de KNVB voor O13 vastlegt
- wat de bond over opstelling en formatie zegt
- drie of vier verdedigers: de afweging
- de formaties 3-4-3, 4-2-3-1, 4-3-3 en 4-4-2
- een plan voor de eerste weken op het grote veld
Van 8 tegen 8 naar 11 tegen 11: wat verandert er
Bij de KNVB begint 11 tegen 11 met O13. In de competities O13 tot en met O19 spelen jongens en meiden, en de speelvorm is 11 tegen 11. Je spelers komen uit 8 tegen 8, de wedstrijdvorm van O11 en O12. Een tussenstap met negen spelers, zoals in Duitsland, kent de bond alleen op een paar plekken. Daarover verderop meer.
De cijfers die met de overstap veranderen, voor seizoen 2026/’27:
| Kenmerk | O11/O12 (8 tegen 8) | O13 (11 tegen 11) |
|---|---|---|
| Spelers | 7 plus keeper | 10 plus keeper |
| Veld | 64 × 42,5 m | 100 tot 105 × 64 tot 69 m |
| Doel | pupillendoel 5 × 2 m | 7,32 × 2,44 m |
| Strafschop | 9 m | 11 m |
| Bal | maat 5 (320 g) | maat 5 (370 g bij O14 en O15) |
| Speeltijd | 2 × 30 min | 2 × 30 min, divisie 1 en 2: 2 × 35 min |
| Buitenspel | nee | ja |
| Uitbal | indribbelen | indribbelen of zelfpass |
| Wissels | niet vermeld | maximaal 7, vliegend en onbeperkt |
| Tijdstraf | niet vermeld | 5 minuten bij geel |
| Wedstrijdleiding | pupillenscheidsrechter | scheidsrechter |
Het veld van 8 tegen 8 heeft 2.720 vierkante meter. Een heel veld van 100 bij 64 meter heeft er 6.400, een veld van 105 bij 69 meter ruim 7.200. Het oppervlak wordt dus bijna tweeënhalf keer zo groot, terwijl het aantal veldspelers alleen van zeven naar tien gaat. Elke speler moet veel meer ruimte overzien en belopen. Het balgewicht voor O13 staat niet op de infographic van de bond. Voor O14 en O15 noemt de KNVB maat 5 met 370 gram.
Veldgroottes vergeleken: 6 tegen 6, 8 tegen 8 en 11 tegen 11
Van bijna een kwart veld via bijna een half veld naar het hele veld, hier op de grootste KNVB-maat, op schaal
Bron: KNVB-infographics 6 tegen 6, 8 tegen 8 en 11 tegen 11, seizoen 2026/’27
Geen overgang in het jeugdvoetbal is zo ingrijpend als deze, schrijft de Duitse bond (DFB) op zijn platform voor trainers. Vier eisen zijn nieuw: het overzicht over veel grotere ruimtes, langere loopafstanden, het samenspel met meer medespelers en het spelen op grotere doelen. Daar hoort een zin bij die je voor september moet onthouden: de kracht van de meeste spelers is in de zomervakantie nauwelijks veranderd.
Bij de DFB gaat het om spelers die een jaar ouder zijn. In Duitsland spelen O12 en O13 nog op een kleiner veld, meestal 9 tegen 9, en het grote veld begint bij O14 en O15, daar C-Jugend genoemd. Jouw spelers maken een grotere sprong op jongere leeftijd.
Voor Nederlandse spelers is ook het buitenspel nieuw. In 8 tegen 8 is de regel niet van toepassing, in 11 tegen 11 wel, en er wordt met assistent-scheidsrechters gespeeld. Hoe de KNVB de stappen daarvoor heeft opgebouwd, lees je in het overzicht van de wedstrijdvormen in het jeugdvoetbal.
Spelregels bij O13: wat de KNVB vastlegt
De KNVB publiceert per leeftijdscategorie een infographic met wedstrijdvorm en spelregels. Voor O13 in categorie A en B heet die in seizoen 2026/’27 de pilot vernieuwde spelregels. Vier regels wijken af van wat je van de senioren kent.
Vliegend wisselen en terugwisselen
Je mag bij O13 maximaal zeven wisselspelers meenemen. Het wisselen gaat vliegend: het spel gaat door terwijl spelers bij de middenlijn, aan de kant van de dug-out, het veld uit- en ingaan. De regels daarbij:
- Eerst eruit, dan erin. De wisselspeler betreedt het veld pas als de veldspeler eruit is, en geeft een hesje aan de speler die het veld verlaat.
- Terugkomen mag. Wie gewisseld is, mag later in de wedstrijd weer het veld in.
- De tijd loopt door. Alleen bij onjuiste uitrusting wordt de wedstrijd kort stilgelegd.
- De keeper mag dicht bij het doel worden gewisseld.
Voor je opstelling maakt dat veel uit. Je kunt de posities met het meeste loopwerk in blokken van tien of vijftien minuten bezetten. Hoe je de speeltijd eerlijk over je selectie verdeelt, laat speeltijd eerlijk verdelen in het jeugdvoetbal zien.
Tijdstraf
Een gele kaart betekent bij O13 vijf minuten tijdstraf. De speler gaat naar de dug-out of naar een aangewezen strafbank, en de scheidsrechter geeft na vijf minuten toestemming om terug te komen, zonder het spel stil te leggen.
Bij een tweede gele kaart is de wedstrijd voor de speler voorbij, en na vijf minuten mag een wisselspeler zijn plaats innemen. Bij een directe rode kaart is dat na tien minuten. Je team speelt dus nooit de rest van de wedstrijd met tien.
Dit verandert per categorie. Bij O14 in categorie A is er geen tijdstraf. Vanaf O15 geldt in categorie B tien minuten bij een gele kaart. Lees de infographic van je eigen categorie vóór de eerste wedstrijd.
Indribbelen en zelfpass
Je spelers kennen het indribbelen uit 8 tegen 8, en bij O13 blijft het. Gaat de bal over de zijlijn, dan leg je hem op de lijn en dribbel je in, met de tegenstander op minimaal vijf meter. Je hebt vijf seconden om het spel te hervatten.
Nieuw is de zelfpass bij een vrije trap: je legt de bal stil en mag zelf dribbelen, zonder eerst naar een medespeler te passen. Rechtstreeks scoren uit een zelfpass of indribbel mag niet. De bal moet eerst door twee spelers zijn geraakt. De hoekschop wordt bij O13 op 10,15 meter van de hoekvlag genomen.
Bij O14 in categorie A en vanaf O15 komt de inworp terug, met twee handen vanuit de nek en beide voeten op de grond. De regels voor de inworp zijn voor spelers die altijd hebben ingedribbeld niet vanzelfsprekend.
Over koppen zeggen de infographics niets. Ter vergelijking: in Duitsland bestaat op deze leeftijd geen kopverbod, en de DFB vraagt voor de koptraining lichtere ballen.
Minder dan elf spelers
Elf tegen elf is bij O13 de regel, met drie uitzonderingen in het aanbod van de KNVB:
- Regio Noord speelt bij O13 in seizoen 2026/’27 9 tegen 9, met dezelfde vier nieuwe spelregels. Het veld loopt van zestienmeterlijn tot zestienmeterlijn en is 56 meter breed, er wordt 2 keer 30 minuten gespeeld en je mag negen wisselspelers meenemen.
- De beker in divisie 1 tot en met 4 van O13 heeft een eigen infographic voor 9 tegen 9.
- MO13 kent naast 11 tegen 11 een vorm met negen. Welke opstellingen daarbij passen, staat in het artikel over 9 tegen 9.
De KNVB publiceert bij 11 tegen 11 de uitslagen en de ranglijsten. In categorie B en in de hoofdklasse speelt O13 het seizoen in drie fases. Speel je daarnaast toernooien, dan helpt het artikel over wedstrijden per dag op een jeugdtoernooi bij de vraag hoeveel er op één dag verstandig is.
Wat spelers in 11 tegen 11 moeten leren
Boven de spelregels voor O13 tot en met O19 zet de KNVB dezelfde zin als bij de pupillen: plezier en ontwikkeling staan voorop. In de kennisbank voor trainers staat wat dat voor je opstelling betekent:
- De formatie die je kiest, moet vooral passen bij de leeftijd en de ontwikkelfase van de spelers.
- Zet spelers op een positie waarvan je denkt dat ze zich daar verder kunnen ontwikkelen.
- Laat spelers meerdere posities proberen, en leg uit waarom je dat doet.
- Verdeel de speeltijd zo eerlijk mogelijk en houd dat bij.
De Duitse bond is over de inhoud van de training uitgebreider. Hij beschrijft voor de eerste jaren op het grote veld, daar O14 en O15, deze zwaartepunten:
- Techniek onder druk. De basistechnieken moeten stabiel worden onder toenemende tijdsdruk en druk van de tegenstander.
- Samenspel per linie uitbreiden. Het samenspel in verdediging, middenveld en aanval wordt uitgebouwd. Daar hoort bij dat twee spelers samen de balbezitter aanvallen.
- Spelsystemen leren. Voor het eerst staat het samenspel van het hele team op het programma.
- Atletische opbouw. Algemene en voetbalspecifieke spiergroepen worden gericht getraind.
Twee uitspraken van de DFB zijn het onthouden waard. De opleiding staat op deze leeftijd nadrukkelijk boven het denken in uitslagen. En bij de overstap naar het grote veld is geduld nodig: de bond verwacht niet dat alle spelers de omschakeling in korte tijd maken.
Daaruit volgt ook hoe je een formatie kiest. Stem de tactiek af op de lichamelijke ontwikkeling van je spelers. Zijn je vleugelverdedigers nog klein, dan heeft het weinig zin om van hen te vragen dat ze langs de buitenspeler heen opkomen. Ze halen de weg naar voren amper, en de weg terug na balverlies helemaal niet.
Drie of vier verdedigers: de principiële vraag
Voordat je cijfers kiest, kies je een verdedigingslinie. De KNVB geeft in de kennisbank 1-4-3-3 en 1-4-4-2 als voorbeelden van een formatie, allebei met vier verdedigers, en laat de keuze aan jou. De DFB heeft de vraag voor deze leeftijd uitdrukkelijk gesteld en de argumenten van beide kanten op een rij gezet.
Voor de driemansverdediging pleit:
- Je verdedigers staan vaak één tegen één en merken meteen of ze de bal hebben veroverd.
- Je hebt een speler extra op het middenveld of in de aanval.
- Meer verdedigers zijn zelden nodig, omdat op deze leeftijd bijna geen middenvelder of verdediger van de tegenstander mee opkomt.
Tegen de driemansverdediging pleit:
- De lengteverschillen zijn op deze leeftijd groot. Kleine verdedigers verliezen het duel één tegen één vaak, en dat frustreert.
- De centrale verdediger laat zich makkelijk achter de twee anderen zakken. Dan speel je met een vrije man achter de verdediging, en dat is niet meer van deze tijd.
Voor de viermansverdediging pleit:
- De spelers leren als groep verdedigen. Dat past bij het opleidingsplan van de leeftijd.
- De volle breedte van het grote veld is met drie spelers niet af te dekken.
- Vleugelverdedigers en middenvelders leren vroeg om mee aan te vallen.
Tegen de viermansverdediging pleit:
- Een bal die je met z’n tweeën verovert, kan zwaktes in het duel verhullen.
- De viermansverdediging veronderstelt dat spelers samen de balbezitter kunnen aanvallen. Wie haar meteen invoert, loopt het risico spelers te overvragen.
- Veel spelers missen nog de kracht om op het grote veld mee naar voren te gaan. Dan is de vierde verdediger overbodig en staat het team te verdedigend.
Een eenduidig antwoord geeft de DFB niet. Zijn voorstel is om het team zo flexibel op te leiden dat beide systemen voor de spelers geen probleem zijn. Voor jou in het eerste jaar op het grote veld betekent dat: begin met de linie die je spelers kennen, en voer de andere in de loop van het seizoen in.
Eén afspraak over de schrijfwijze. De KNVB telt de keeper mee en schrijft 1-4-3-3. Dit artikel schrijft alleen de tien veldspelers: 4-3-3.
Formatie 3-4-3: drie verdedigers uit 8 tegen 8
3-4-3 op het grote veld
Keeper, drie verdedigers, vier middenvelders, drie aanvallers
Opbouw: keeper, drie verdedigers, vier middenvelders over de hele breedte, drie aanvallers.
Spelidee: de KNVB noemt 1-3-1-3 als een van de twee voorbeelden voor 8 tegen 8. Heeft je team zo gespeeld, dan vindt het in de 3-4-3 veel terug. De drie verdedigers blijven, de drie aanvallers blijven, en het middenveld krijgt er drie spelers bij. De twee buitenste middenvelders dekken de zijlijn in beide richtingen af.
Wat het van je spelers vraagt:
- Drie verdedigers die een duel één tegen één aangaan en vaak winnen
- Een centrale verdediger die op één lijn met de twee anderen blijft
- Twee buitenste middenvelders met adem voor zestig tot zeventig minuten zijlijn
- Bij balbezit van de tegenstander schuiven de buitenste middenvelders naast de drie verdedigers, zodat er achterin vijf staan
Wanneer het past: als je team uit een 8 tegen 8 met drie verdedigers komt en die drie het lichamelijk aankunnen.
De 3-5-2 is nauw verwant. Eén aanvaller schuift naar het middenveld, het centrum wordt dichter, en voorin spelen twee spitsen. Voor het eerste jaar op het grote veld is de 3-4-3 de eenvoudigere instap voor teams die drie aanvallers gewend zijn.
Formatie 4-2-3-1: vier verdedigers met dubbele dekking
4-2-3-1 op het grote veld
Keeper, viermansverdediging, twee controlerende en drie aanvallende middenvelders, één spits
Opbouw: keeper, viermansverdediging, twee centrale controlerende middenvelders, drie aanvallende middenvelders, één spits.
Spelidee: zes spelers dekken af, vier vallen aan. De twee controlerende middenvelders staan voor de verdediging en sluiten het centrum. Daardoor kunnen de vleugelverdedigers opkomen zonder dat er achter hen een gat valt.
Wat het van je spelers vraagt:
- De twee controleurs bewegen tegengesteld: komt de één naar de bal toe, dan gaat de ander de diepte in. Ze mogen de pass naar voren van de centrale verdediger aan de bal niet dichtlopen.
- De vleugelverdedigers zorgen voor breedte en diepte en halen zo druk van de bal.
- De buitenste middenvelders schuiven door en doen mee in de aanval.
- De centrale aanvallende middenvelder helpt de spits bij het druk zetten op de opbouw van de tegenstander.
Wanneer het past: als je twee spelers hebt die in het centrum rust uitstralen, en vleugelverdedigers die de weg naar voren en terug halen. Ontbreekt hun de kracht daarvoor, dan staat je team met zes man achter en komt het amper voor het doel van de tegenstander.
Formatie 4-3-3: drie aanvallers over de hele breedte
4-3-3 op het grote veld
Keeper, viermansverdediging, drie middenvelders, drie aanvallers
Opbouw: keeper, viermansverdediging, drie centrale middenvelders met een duidelijke rolverdeling, bijvoorbeeld één controlerende en twee in de halfruimtes, daarvoor drie aanvallers.
Spelidee: drie aanvallers kennen je spelers als ze in 8 tegen 8 de 1-3-1-3 hebben gespeeld. Nieuw is de viermansverdediging erachter. Beide vleugels zijn voorin vast bezet, het spel heeft breedte zonder dat een middenvelder daarvoor naar buiten hoeft te lopen.
Wat het van je spelers vraagt:
- De vleugelverdedigers houden de verbinding met de buitenspelers en doen mee in de aanval.
- De drie middenvelders dragen daardoor meer verdedigende verantwoordelijkheid en dekken af tegen counters.
- De buitenspelers kunnen de opbouw van de tegenstander naar binnen sturen. Ze lopen zo aan dat de vleugelverdediger van de tegenstander in hun rug niet aanspeelbaar is. De centrale verdediger moet dan door het midden passen.
Wanneer het past: als je team in 8 tegen 8 met drie aanvallers heeft gespeeld en je snelle buitenspelers hebt. Van de opstellingen met vier verdedigers behoudt deze het meeste van wat je spelers voorin al kunnen. De KNVB noemt 1-4-3-3 als eerste voorbeeld van een formatie. De Amerikaanse bond toont voor de start in 11 tegen 11 hetzelfde systeem en noemt het uitdrukkelijk een voorbeeld.
Formatie 4-4-2: twee linies van vier, twee spitsen
4-4-2 op het grote veld
Keeper, viermansverdediging, middenveld van vier, twee spitsen
Opbouw: keeper, viermansverdediging, een linie van vier op het middenveld, twee spitsen.
Spelidee: twee linies van vier schuiven samen naar de kant van de bal. Iedereen heeft links en rechts een buurman, en elke vleugel is met een vleugelverdediger en een buitenste middenvelder dubbel bezet. Dat maakt de ordening bij balbezit van de tegenstander makkelijk te begrijpen.
Wat het van je spelers vraagt:
- De twee centrale middenvelders staan bij eigen balbezit op verschillende hoogte. Staan ze op één lijn, dan zijn ze met één pass uitgespeeld.
- De buitenste middenvelders gebruiken de ruimte op de vleugel in het laatste derde deel van het veld.
- De twee spitsen vangen de ondertalsituatie in het centrum op door om de beurt druk te zetten op de opbouw van de tegenstander.
Wanneer het past: als je twee even sterke spitsen hebt en een ordening zoekt die je spelers na twee trainingen begrijpen. Heeft je team in 8 tegen 8 de 1-2-3-2 gespeeld, dan blijven de twee spitsen staan. De variant met een ruit op het middenveld, één controlerende, twee in de halfruimtes en één aanvallende middenvelder, brengt meer spelers in het centrum. Ze vraagt wel dat de vleugelverdedigers de vleugels alleen bezetten, en dat is in het eerste jaar op het grote veld veel.
Welke opstelling past bij jouw selectie?
Deze vragen helpen bij de keuze:
- Wat heeft je team in 8 tegen 8 gespeeld? De 1-3-1-3 met drie verdedigers en drie aanvallers: 3-4-3, of de 4-3-3 als je de linie van vier meteen wilt invoeren. De 1-2-3-2 met twee spitsen: 4-4-2.
- Hoe groot zijn je verdedigers vergeleken met de aanvallers van de tegenstander? Zijn ze lichamelijk de mindere, dan pleit dat voor de viermansverdediging, waarin ze met z’n tweeën verdedigen.
- Halen je vleugelverdedigers de zijlijn in beide richtingen? Zo ja, dan draagt de 4-2-3-1 of de 4-3-3. Zo nee, dan zijn ze in de viermansverdediging alleen extra verdedigers.
- Hoe breed is je selectie? Met vijf of meer wissels kun je dankzij het vliegend wisselen de buitenste middenvelders van de 3-4-3 in blokken laten spelen. Met twee wissels heb je een ordening nodig die de hele wedstrijd zonder veel sprints toe kan, bijvoorbeeld de 4-4-2.
Ga je voor het eerst met een O13 het grote veld op, begin dan met de verdedigingslinie die je spelers kennen. Speelde je team met drie verdedigers, dan is de 3-4-3 de kortste weg. De viermansverdediging voer je in zodra het verdedigen met z’n tweeën op de training zit. Speelde je team met twee verdedigers, dan is elke linie nieuw. Neem dan de 4-4-2 of de 4-3-3 en besteed de eerste weken aan dat samen verdedigen.
Posities wisselen, ook op het grote veld
In de kleine wedstrijdvormen kan elk kind elke positie spelen. Hoe je daar opstelt en toch rouleert, staat in het artikel over de 7 tegen 7 opstelling. Op het grote veld gaat dat zo niet meer: de afstanden zijn langer, de taken verschillen meer, en de spelers hebben voorkeuren ontwikkeld.
De KNVB houdt ook voor 11 tegen 11 vast aan het principe. Laat spelers meerdere posities proberen, begin niet elke keer met dezelfde basisopstelling, en maak duidelijk welke taken bij een positie horen, zonder dat die positie een harnas wordt.
De Duitse bond beschrijft een tussenweg. Spelers vinden langzaam hun plek, en de brede opleiding blijft toch centraal staan. Voor de praktijk gelden twee regels:
- Wissel binnen een deel van het team. Wie zich op de rechterkant thuis voelt, leert daar de aanvallende en de verdedigende positie kennen: rechtsachter, rechts op het middenveld, rechtsbuiten.
- Wissel niet te vaak. Eén tot twee positiewissels binnen een wedstrijd is genoeg.
Voor je seizoen betekent dat: elke speler krijgt een eerste en een tweede positie, en beide liggen aan dezelfde kant of in dezelfde linie. Het doel laat je daarbuiten zodra je twee spelers hebt die keeper willen zijn.
De eerste weken op het grote veld
Een plan voor de overgang uit 8 tegen 8:
Week 1: het veld ervaren. Speel 11 tegen 11 op het hele veld, zonder opdrachten, twee keer 15 minuten. De spelers moeten merken hoe ver een bal naar de andere kant is en hoe groot het doel voor de keeper. Laat iedereen één keer een strafschop van elf meter nemen.
Week 2: afstanden. Zet je formatie neer en laat het team zonder tegenstander de bal volgen die jij langs de zijlijn draagt. De linies moeten bij elkaar blijven en samen bewegen. Daarna hetzelfde met tegenstander.
Week 3: buitenspel en verdedigen met z’n tweeën. Leg buitenspel op het veld uit, met drie verdedigers op één lijn en een aanvaller die te vroeg vertrekt. Oefen daarna twee tegen één op de vleugel: de eerste verdediger houdt de balbezitter op, de tweede komt erbij. Dat is de basis voor elk spel met een viermansverdediging. Passende spelvormen vind je bij de oefeningen voor direct druk zetten bij O13 en O14.
Week 4: de eerste wedstrijd. Treed aan met de verdedigingslinie die je spelers uit 8 tegen 8 kennen. Neem je voor de wedstrijd één ding voor, bijvoorbeeld de afstanden tussen de linies, en bespreek na afloop alleen dat. De eerste wedstrijd op het grote veld brengt gaten, lange ballen en vermoeide benen in de tweede helft.
Veelgemaakte fouten bij de overstap naar het grote veld
Vijf fouten die je jezelf kunt besparen:
- Vier verdedigers neerzetten zonder het samen verdedigen te oefenen. Dan is het een rij van vier losse spelers. Dat overvraagt je team.
- Op lengte opstellen. De groten achterin, de kleinen voorin: dat wint in het najaar wedstrijden en zegt niets over wie over twee jaar kan verdedigen. De lengteverschillen op deze leeftijd trekken bij.
- Posities voor het hele seizoen vastleggen. Een tweede positie in hetzelfde deel van het team kost je weinig en geeft elke speler een breder beeld van het spel.
- De spelregels van je eigen categorie niet kennen. Tijdstraf, zelfpass en vliegend wisselen gelden bij O13 en veranderen bij O14 en O15 weer. Op een toernooi over de grens gelden de regels van de organiserende bond.
- Alleen op het hele veld trainen. Op het grote veld heeft elke speler op de training minder balcontacten. Kleine spelvormen blijven de kern, het grote veld is er voor de afstanden. Hoe je daarbij de dekking achter de bal oefent, laat het artikel over restverdediging in het jeugdvoetbal zien.
Voor de start van het seizoen loont een klein oefentoernooi met drie of vier teams uit de buurt, met een kortere speeltijd. Een hulpmiddel als AreaCopa maakt het wedstrijdschema en de aanvangstijden in een paar minuten voor je.
Eerst de verdedigingslinie, dan de cijfers
Het eerste jaar op het grote veld wordt beslist door de afstanden tussen de linies en door het geduld van de trainer. De KNVB schrijft geen formatie voor. De bond vraagt om een keuze die bij de leeftijd past, om meerdere posities en om eerlijke speeltijd. De Duitse bond raadt aan om zowel drie als vier verdedigers te trainen en de tactiek af te stemmen op de lichamelijke ontwikkeling van de spelers.
Wisselen, tijdstraf en de hervatting na een uitbal legt de KNVB per categorie vast. Lees de infographic van je eigen categorie vóór de eerste wedstrijd.
Voor het oefentoernooi van je team neemt de app voor het jeugdvoetbaltoernooi het wedstrijdschema, de velden en de link voor de ouders over.
Mijn O13-toernooi plannenGratis en zonder registratieBronnen
De Nederlandse maten, speeltijden en spelregels in dit artikel komen uit documenten van de KNVB voor seizoen 2026/’27. De afweging tussen drie en vier verdedigers en de beschrijving van de formaties komen van het trainersplatform van de Duitse bond (DFB), die ze voor O14 tot en met O17 beschrijft.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 11 tegen 11, O13 categorie A en B, pilot vernieuwde spelregels. Bron voor speelduur, veldmaat, indribbel en zelfpass, vliegend wisselen, het aantal wisselspelers, de tijdstraf en de hoekschop bij O13.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 11 tegen 11, onder 15 tot en met onder 23 en senioren. Bron voor doel, strafschop, bal, buitenspel, inworp, de invallersbepaling, de tijdstraf in categorie B en de publicatie van uitslagen en ranglijsten.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 11 tegen 11, onder 14 categorie A. Bron voor bal, speeltijd en het ontbreken van een tijdstraf bij O14 in categorie A.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 9 tegen 9, O13 regio Noord, pilot vernieuwde spelregels. Bron voor 9 tegen 9 bij O13 in regio Noord: veld, speelduur en wisselspelers.
- KNVB (seizoen 2026/’27). Infographic wedstrijdvorm 8 tegen 8. Bron voor de vergelijking met O11 en O12.
- KNVB. Wedstrijdinformatie en Onder 13 tot en met onder 19. Bron voor het overzicht van de infographics per categorie, voor 11 tegen 11 als speelvorm van O13 tot en met O19 en voor de drie fases.
- KNVB. De opstelling, kennisbank van het trainersdashboard. Bron voor 1-4-3-3 en 1-4-4-2 als voorbeelden, de keuze van een formatie bij 11 tegen 11, meerdere posities en eerlijke speeltijd. De voorbeelden 1-2-3-2 en 1-3-1-3 voor 8 tegen 8 staan in het gelijknamige artikel voor pupillen.
- Duitse voetbalbond, DFB (versie 21 augustus 2026). Jugendordnung. Bron voor de Duitse vergelijking: 11 tegen 11 vanaf O14 en teams van zeven tot elf spelers.
- DFB, Training und Service (zonder datum). Bei den C-Junioren wirklich schon mit Viererkette? Bron voor de afweging tussen drie en vier verdedigers en voor 3-4-3 en 4-2-3-1 als voorbeelden.
- DFB, Training und Service (zonder datum). C-Junioren: Jetzt wartet das große Feld. Bron voor de vier nieuwe eisen en het advies om geduld te hebben.
- DFB, Training und Service (zonder datum). Die Persönlichkeit entwickeln: das Aufbautraining. Bron voor de zwaartepunten van de opleiding bij O14 en O15.
- DFB, Training und Service (zonder datum). Wettspiele mit B-Junior*innen: Ausbildungsfördernde Spielsysteme wählen. Bron voor opbouw en eisen van 4-2-3-1, 4-3-3 en 4-4-2. Het artikel beschrijft ze voor O16 en O17.
- DFB, Training und Service (zonder datum). Gezielt die Positionen wechseln en Training der Dreierkette. Bron voor het wisselen van positie binnen een deel van het team en voor de linie van vijf bij balbezit van de tegenstander.
- DFB (zonder datum). Kopfballspiel. Bron voor de Duitse regeling rond koppen en de ballen in de koptraining.
- U.S. Soccer (zonder datum). 11v11: U13+, 1-4-3-3. Bron voor de 4-3-3 als voorbeeld van de Amerikaanse bond.
De regels van Voetbal Vlaanderen zijn voor dit artikel niet uitgewerkt, net zo min als de infographics voor O14 in categorie B en voor de meidencategorieën. De regels voor jouw competitie staan in de infographic van je eigen categorie op de pagina Wedstrijdinformatie van de KNVB.



