De inworpregels in het voetbal passen op een halve bladzijde, en toch is de inworp de hervatting die het vaakst verkeerd wordt uitgevoerd en het zeldzaamst wordt bestraft. Dat komt door de bouw van de regel: ze heeft geen belangstelling voor de manier waarop de speler bij de bal komt, maar uitsluitend voor één fractie van een seconde.
Regel 15 bindt alles aan één moment
De beslissende zin in de regeltekst luidt: "Bij het nemen van een inworp moet de speler die de bal inwerpt met het gezicht naar het speelveld staan, met een deel van elke voet op de zijlijn of op de grond buiten de zijlijn staan, en de bal met beide handen van achteren over het hoofd werpen vanaf de plaats waar de bal het speelveld verliet."
Vier voorwaarden, en alle vier worden op hetzelfde tijdstip getoetst. Een speler mag tien meter aanlopen, zich draaien, de bal in de lucht houden. Zolang op het moment dat hij de bal loslaat het gezicht, de voeten, de handen en de plaats kloppen, is de inworp correct. Andersom heeft de mooiste uitgangshouding geen enkele waarde als de speler zich bij de worp van de grond losmaakt.
Daar komt een vijfde voorwaarde bij, die pas na de worp gaat werken: de bal is in het spel zodra hij zich binnen het speelveld bevindt. Raakt hij daarvoor de grond, dan wordt de inworp overgenomen, door dezelfde ploeg en op dezelfde plaats. Dat is geen straf, maar een herhaling.
Wat de ingooier op het moment van loslaten moet doen
Stand en richting. De ingooier staat en keert zijn gezicht naar het speelveld. "Staan" sluit knielen en zitten uit, maar geen voorovergebogen houding. De richting is ruimer dan veel trainers aannemen: het lichaam moet naar het veld wijzen, niet precies naar de richting van de worp.
Voetcontact. Een deel van elke voet raakt de zijlijn of de grond erbuiten. Beide voeten dus, en met grondcontact. De formulering "een deel" doet ertoe: het volstaat dat de teen de lijn raakt, de hiel mag in de lucht zijn.
Handen en worpbaan. Beide handen aan de bal, en de bal komt van achteren over het hoofd. Dat is een beweging, geen eindpositie. Een worp die pas boven de kruin begint, voldoet er niet aan.
Plaats. Er wordt ingegooid op de plek waar de bal het speelveld verliet. Een tolerantie noemt de regeltekst niet. In de praktijk wordt een meter zelden afgekeurd, in de jeugd al helemaal niet, maar de regel kent die speelruimte niet.
Wat er uit een inworp niet kan gebeuren
Drie dingen zijn uitgesloten, en alle drie zijn in de praktijk belangrijker dan ze klinken.
Uit een inworp kan niet rechtstreeks een doelpunt vallen. Gaat de bal rechtstreeks in het doel van de tegenstander, dan volgt een doeltrap. Gaat hij rechtstreeks in het eigen doel, dan krijgt de tegenstander een hoekschop. Beide richtingen zijn geregeld, en aan het tweede geval denkt bijna niemand.
Buitenspel bestaat bij directe aanname niet. Regel 11 noemt doeltrap, inworp en hoekschop uitdrukkelijk als de drie situaties waarna een speler de bal direct mag aannemen zonder buitenspel te staan. Voor het aanvalsspel is dat een hefboom die veel ploegen laten liggen: een spits mag bij een inworp zo ver naar voren staan als hij wil.
Elke tegenstander houdt minstens twee meter afstand tot de plek van de inworp op de zijlijn. Dat is een plicht van de tegenstander, geen verzoek van de ingooier.
De vijf fouten die rechtstreeks uit de regel volgen
Een opmerking vooraf die in de meeste stukken over dit onderwerp ontbreekt: er bestaan geen betrouwbare cijfers over welke inworpfout het vaakst voorkomt. Noch de KNVB, noch de Engelse, Spaanse of Franse bond publiceert zo'n statistiek. Bonden publiceren de regeltekst en losse gevallen, geen frequenties. De onderstaande lijst is daarom afgeleid uit de regeltekst en in die volgorde gesorteerd. Ze zegt wat er fout kan gaan, niet hoe vaak.
- Weggedraaid ingegooid. Het lichaam wijst bij de worp niet naar het speelveld, meestal omdat de speler zich naar zijn aanspeelpunt draait in plaats van de bal daarheen te gooien.
- Voet opgetild of afgezet. De klassieker bij verre inworpen: de speler haalt zwaai en maakt daarbij een of beide voeten los van de grond. Zodra op het moment van loslaten één voet vrij is, is de inworp fout.
- Vanaf de kruin in plaats van van achteren over het hoofd. De bal start voor of boven het hoofd en beschrijft geen baan van achteren. Het Franse scheidsrechtersblad van de UNAF noemt precies dat als hoofdoorzaak van onregelmatige inworpen, al is dat een waarneming uit 2016 en geen gemeten frequentie.
- Met één hand of met ongelijke kracht gegooid. De ene hand stuurt, de andere ligt er alleen tegenaan. Formeel zitten beide handen aan de bal, en toch is de worp aanvechtbaar.
- Naast de plek ingegooid. De speler pikt een paar meter terreinwinst mee, meestal richting het doel van de tegenstander.
Welke straf op welke fout volgt
De sancties zijn korter dan de voorwaarden, en ze onderscheiden drie gevallen.
Niet correcte uitvoering. Elke overtreding van de vier voorwaarden leidt ertoe dat de inworp wordt genomen door een speler van de tegenpartij. De bal wisselt dus, er volgt geen vrije trap.
Tweede balcontact van de ingooier. Raakt de ingooier de bal opnieuw voordat een andere speler hem heeft geraakt, dan volgt een indirecte vrije trap. Gebeurt dat tweede contact met de hand, dan wordt het een directe vrije trap, en in het eigen strafschopgebied een strafschop. De uitzondering: was de ingooier de keeper, dan blijft het bij de indirecte vrije trap.
Hinderen door de tegenstander. Wie de ingooier op onsportieve wijze afleidt of hindert, en daar valt ook het onderschrijden van de twee meter onder, krijgt een waarschuwing. Is de inworp al genomen, dan volgt daarnaast een indirecte vrije trap.
Vanaf welke leeftijd de inworp in Nederland geldt
Wie in Nederland een pupillenteam traint, heeft dit hoofdstuk voorlopig niet nodig, want in zijn wedstrijdvorm bestaat de inworp niet. De KNVB schrijft de handinworp alleen voor in 11 tegen 11. De infographic voor die vorm draagt als ondertitel "Onder 15 t/m Onder 23 & senioren" en vat de regel in één zin samen: "Bij een inworp moet de bal met twee handen vanuit de nek worden ingegooid, met beide voeten op de grond."
Beslissend is de wedstrijdvorm, niet de jaargang. De KNVB kent 6 tegen 6 voor O8, O9 en O10 op 42,5 bij 30 meter, 8 tegen 8 voor O11, MO11 en O12 op 64 bij 42,5 meter, en 11 tegen 11 vanaf O13 op een heel veld. Wie wil weten of zijn ploeg met de inworp te maken krijgt, kijkt dus naar de wedstrijdvorm van zijn poule. Meer over de vormen daarachter staat in ons overzicht van de wedstrijdvormen in het jeugdvoetbal.
In 6 tegen 6 en 8 tegen 8 staat er in plaats daarvan het indribbelen. De infographic is er kort over: "Bij een uitbal wordt het spel hervat door in te dribbelen. Passen en/of schieten is niet toegestaan." De bal wordt dus vanaf de grond het veld in gedribbeld, en de speler die indribbelt mag daarna zelf meteen scoren. Bij elke spelhervatting staat de tegenstander op minimaal 5 meter afstand.
Daarbovenop loopt in seizoen 2026/’27 een landelijke pilot. O13 in beide categorieën, MO13 in beide categorieën en O14 categorie B spelen daarin zonder inworp; de hervatting heet daar indribbel/zelfpass en houdt dezelfde 5 meter aan. Feitelijk begint de handinworp in Nederland daarmee pas in O14 categorie A, en voor de meeste spelers dus in O15.
Wat opvalt bij een blik over de grens: de bonden zijn het erover eens dat de inworp voor jonge kinderen niet de juiste hervatting is. Waar ze het helemaal niet over eens zijn, is wat daaruit volgt.
| Bond | Inworp vanaf | Daaronder | Afstand |
|---|---|---|---|
| Nederland (KNVB) | 11 tegen 11, feitelijk O14 categorie A | indribbelen, passen en schieten verboden | 5 m |
| Noorwegen | 5 tegen 5, vanaf 8 jaar | innspark, een trap vanaf de stilliggende bal | 2 m |
| Zweden | 7 mot 7, vanaf 10 jaar | sidlinjespark: dribbelen of laag inspelen | 3 tot 5 m |
| Denemarken | 8 mod 8, U11/U12 | de speler kiest: indspark, inddribling of indkast | 2 m |
| Italië | Pulcini U10/U11, 7 tegen 7 | hand of voet, vrij te kiezen, bal stilliggend | 3 tot 5 m |
| Portugal | geen ondergrens, geldt tot Sub-7 | bestaat niet |
Tussen de eerste en de laatste rij zit zeven jaargangen verschil. Een Noorse achtjarige gooit in; een Nederlandse speler van dezelfde leeftijd dribbelt in en zal dat nog zes jaar blijven doen. Dat de tabel bij Portugal geen leeftijd noemt, is geen omissie: daar is er geen. De bonden beantwoorden de vraag "vanaf wanneer wordt er ingegooid" op drie wezenlijk verschillende manieren, en alleen de eerste is een leeftijd.
Ten eerste: de inworp wordt onder een grens vervangen. Zo doen Nederland, Noorwegen en Zweden het. Daaronder trapt of dribbelt het kind de bal in, vanaf de grens wordt er gegooid. Dit geval hebben de meeste trainers voor ogen.
Ten tweede: de inworp is toegestaan, maar niet voorgeschreven. Zo doen Denemarken en Italië het. De speler mag kiezen tussen inwerpen, inspelen over de grond of indribbelen. Geen peildatum dus, maar een keuzevrijheid die op enig moment eindigt.
Ten derde: de inworp blijft tot onderaan gewoon staan. Zo doet Portugal het: er wordt tot in de categorie Sub-7 ingegooid en er is geen vervangende hervatting, want de bond regelt er niets aparts voor. Regel 15 werkt daar dus onverkort door, ook voor zesjarigen. Spanje houdt de inworp eveneens tot in de jongste categorie aan, maar verzacht hem aan de andere kant: de scheidsrechter legt een fout uit en laat opnieuw gooien.
En nog een beperking, die laat zien hoe kort de houdbaarheid van één getal is: de Nederlandse grens staat niet stil. In 2017 verving het indribbelen de inworp bij O8 en O9, sindsdien is het doorgegroeid tot en met O12, en met de pilot van 2026/’27 ook over O13 en O14 categorie B heen. Wie de grens in zijn hoofd als vast jaartal opslaat, heeft binnen een paar seizoenen ongelijk. De betrouwbare gewoonte is een andere: kijk voor de start van het seizoen in de infographic van je eigen wedstrijdvorm, want daar staat de hervatting na een uitbal letterlijk in.
Aanloop, sprong en flip: wat is toegestaan
Hier betaalt het zich uit dat regel 15 maar één tijdstip regelt. Uit de letter volgt onmiddellijk:
Aanlopen mag. De regel zegt niets over de weg naar de bal. Een speler mag zo ver aanlopen als hij wil.
De sprongworp mag niet. Komt op het moment van loslaten ook maar één voet los van de grond, dan ontbreekt een van de vier voorwaarden en gaat de inworp naar de tegenstander. Dat is het punt waarop verre inworpen in de jeugd stelselmatig stranden.
De flipworp is naar de letter toegestaan, zolang de speler op het moment van loslaten met een deel van elke voet de grond of de lijn raakt en de bal met twee handen van achteren over het hoofd komt. Wie de beweging zuiver beheerst, voldoet daaraan.
Wat een inworp statistisch oplevert
Een analyse van 16.154 inworpen uit een volledig seizoen Premier League levert het helderste cijfer over dit onderwerp. 83 procent van de inworpen leidde tot een geslaagd eerste contact van de eigen ploeg, 54 procent tot behouden balbezit, en 8,8 procent mondde uit in een doelpoging uit dat balbezit.
Interessanter dan het totaal is de uitsplitsing naar worprichting:
| Richting | Eerste contact | Balbezit behouden |
|---|---|---|
| achterwaarts | 99,5 % | 83,5 % |
| zijwaarts | 89,2 % | 64,0 % |
| naar voren | 67,6 % | 48,3 % |
Een vervolgstudie over vijf competities met 71.220 inworpfases bevestigt het patroon: achterwaarts 92,13 procent balbezitbehoud, zijwaarts 71,20 procent, naar voren 49,75 procent. Ze voegt er een tweede hefboom aan toe die niets met techniek te maken heeft: snelheid. Inworpen die binnen vijf seconden werden genomen, bereikten in 94,4 procent van de gevallen het eerste contact, die na meer dan vijftien seconden nog maar in 78,31 procent.
Voor de praktijk betekent dat: de verre inworp in het strafschopgebied is de opvallendste variant, maar niet de opbrengstrijkste. Dezelfde logica ken je van de hoekschopvarianten in het jeugdvoetbal, waar de korte uitvoering eveneens wordt onderschat.
Zo train je de inworp
Techniek. De vijf fouten uit hoofdstuk vier vormen de correctielijst. Twee spelers gooien elkaar over vijf tot acht meter in, de derde staat opzij en controleert in vaste volgorde: richting, voeten, worpbaan, handen, plaats. Na tien worpen wordt gewisseld. De waarde van de oefening zit niet in het gooien, maar in de rol van waarnemer, want wie beoordeelt moet de regel toepassen in plaats van hem alleen aan te horen.
Afstand. Hier bestaat wel een hard getal. Een gecontroleerde studie in het Spaanse vakblad Retos onderzocht in 2024 tweehandig werpen boven het hoofd met een medicinebal over vier weken, met vijftien spelers in zowel de experimentele als de controlegroep en een gemiddelde leeftijd van ongeveer zestien jaar. De worpafstand bij de inworp nam met 8,2 procent toe, de hoeksnelheid van de werparm met bijna 15 procent. De controlegroep verbeterde niet significant.
De inkadering is belangrijk: de studie werkt met zestienjarigen. Voor jongere jaargangen is de overdraagbaarheid open, en extra belasting hoort sowieso in handen van een trainer die de individuele belastbaarheid kent.
Tactiek. Uit de cijfers van het vorige hoofdstuk volgt een ongemakkelijk trainingsaccent. Als achterwaarts en zijwaarts gegooide ballen het balbezit behouden en lange ballen naar voren het in meerderheid verspelen, dan is de belangrijkste trainingsopgave niet de worpafstand, maar het aanspeelpunt achter de ingooier. Twee dingen laten zich meteen oefenen: een betrouwbare terugloopbeweging naar de ingooier, en de grens van vijf seconden, dus de bal oppakken en uitvoeren zonder op de perfecte oplossing te wachten.
Omgekeerd geldt voor de verdedigende ploeg de aanbeveling uit de Premier-Leagueanalyse: hoog druk zetten en de achterwaartse en zijwaartse opties dichtzetten, zodat de tegenstander alleen de lange bal naar voren overhoudt.
Wie deze dingen een heel toernooiseizoen lang netjes wil volhouden, heeft vooral één ding nodig: genoeg wedstrijden waarin ze voorkomen, en een speelschema dat niet op het laatste moment ontstaat.
Mijn speelschema makenGratis en zonder registratieBronnen
De regelcitaten komen uit de IFAB-spelregels 2025/2026 en de Nederlandse spelregeluitgave van dezelfde jaargang. De Nederlandse leeftijdsgrenzen, wedstrijdvormen en afstanden komen uit de KNVB-infographics voor 6 tegen 6, 8 tegen 8 en 11 tegen 11 en uit de pilotdocumenten voor O13, alle voor seizoen 2026/’27. De overige leeftijdsgrenzen komen uit de bondsdocumenten van de betreffende landen, de spelanalysecijfers uit Stone, Smith en Barry (International Journal of Sports Science and Coaching, 2021), Stone, Kubayi, Smith en North (International Journal of Performance Analysis in Sport, 2025) en Casal en collega's (PLOS ONE, 2023). De trainingsstudie is Syafii en collega's, Retos 54 (2024).



